ECLI:NL:RBDHA:2023:19392

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 september 2023
Publicatiedatum
11 december 2023
Zaaknummer
NL23.16112
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbWBV 2022/22
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring asielberoep wegens prematuur ingediende ingebrekestelling

De opposant had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de ingebrekestelling prematuur was ingediend. Hiertegen deed de opposant verzet, zonder verzoek om zitting.

De rechtbank beoordeelde in verzet alleen of er redelijke twijfel bestond over het eerdere oordeel. De opposant verwees naar een andere uitspraak waarin de rechtsgeldigheid van het besluit WBV 2022/22 over verlenging van beslistermijnen in asielzaken ter discussie stond, en stelde dat zolang de Afdeling bestuursrechtspraak geen uitspraak had gedaan, er divergentie in de rechtspraak bestond.

De rechtbank oordeelde echter dat deze divergentie geen aanleiding gaf tot twijfel over het oordeel in deze zaak, mede omdat deze zittingsplaats eerder in soortgelijke zaken hetzelfde standpunt had ingenomen. Omdat in het verzet geen nieuwe argumenten waren aangevoerd die tot twijfel konden leiden, verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en handhaafde de eerdere uitspraak.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: [nummer 1] V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam] , opposant

[naam], opposant
V-nummer: [nummer 1]
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller).

Procesverloop

Bij uitspraak van 7 juli 20231 (de aangevallen uitspraak) heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb2 beslist op het beroep van opposant tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend.
2. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant voert het volgende aan. In het beroep is verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 6 januari 2023.3 In die uitspraak is geoordeeld dat de verlenging van beslistermijnen in asielzaken via het WBV 2022/224 niet rechtsgeldig is. Het daartegen door de staatssecretaris ingestelde hoger beroep is besproken op de zitting bij de Afdeling5 van 13 juni 2023. Op deze zitting zijn kritische vragen gesteld aan de staatssecretaris en hebben partijen van gedachten gewisseld over de vraag wanneer de wet ruimte biedt om beslistermijnen in asielzaken te verlengen. De rechtbank had op de hoogte behoren te zijn van deze ontwikkelingen. Zolang de Afdeling geen uitspraak heeft gedaan bestaat er divergentie binnen de rechtspraak en dan leent een zaak zich sowieso niet voor afdoening buiten zitting.
4. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat niet tot een kennelijk oordeel kon worden gekomen. In verzet zijn immers geen argumenten naar voren gebracht die in het geval van een normale behandeling (ter zitting) hadden kunnen worden aangevoerd en waardoor twijfel zou zijn ontstaan over de uitkomst van het beroep.6 De omstandigheid dat door de verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank anders wordt geoordeeld over de betekenis van WBV 2022/22 voor de beslistermijn van de staatssecretaris, maakt niet dat in dit geval redelijke twijfel bestond over de uitkomst van het beroep. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de aangevallen uitspraak heeft deze zittingsplaats al eerder in gelijke zin over WBV 2022/22 geoordeeld in drie uitspraken van 21 maart 20237 en in alle vergelijkbare zaken sindsdien.
5. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.