ECLI:NL:RBDHA:2023:19621
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na Dublin-overdracht
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 4 juni 2022 een asielaanvraag in die aanvankelijk niet in behandeling werd genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk werd geacht. Na niet-tijdige overdracht werd Nederland verantwoordelijk en diende eiser een nieuwe aanvraag in op 21 februari 2023. Verweerder verleende de verblijfsvergunning met ingang van deze datum.
Eiser betwistte de ingangsdatum en stelde dat de vergunning terugwerkende kracht moest krijgen tot de eerste aanvraagdatum. De rechtbank oordeelde dat het nationale recht, conform artikel 44, tweede lid, Vw, bepaalt dat de vergunning ingaat op de datum van de opvolgende aanvraag. Dit is een dwingendrechtelijke bepaling.
De rechtbank stelde dat de Dublinverordening niet voorschrijft hoe lidstaten hun procedures moeten inrichten en dat het besluit om een aanvraag niet in behandeling te nemen niet vervalt door latere verantwoordelijkheid van Nederland. Daarnaast voorkomt deze uitleg forumshopping.
Gelet op de vaste rechtspraak en de overwegingen is het beroep ongegrond verklaard en is de ingangsdatum van de verblijfsvergunning terecht vastgesteld op 21 februari 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel is ongegrond verklaard en de vergunning is terecht verleend met ingang van 21 februari 2023.