ECLI:NL:RBDHA:2023:19852
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na Dublin-overdracht
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 12 juli 2021 een asielaanvraag in die aanvankelijk niet in behandeling werd genomen omdat Italië verantwoordelijk werd geacht. Na vaststelling dat Nederland verantwoordelijk was wegens niet-tijdige overdracht, diende eiser op 4 mei 2022 een nieuwe aanvraag in. Verweerder verleende vervolgens een verblijfsvergunning met ingang van die datum.
Eiser betwistte de ingangsdatum en stelde dat deze terug moest gaan tot de oorspronkelijke aanvraagdatum, verwijzend naar de Dublinverordening en eerdere uitspraken van de rechtbank Roermond. De rechtbank Den Haag oordeelde dat artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet dwingendrechtelijk voorschrijft dat de ingangsdatum de datum van de opvolgende aanvraag is.
De rechtbank stelde vast dat de Dublinverordening niet voorschrijft hoe lidstaten hun nationale procedures moeten inrichten en dat de verordening zich niet verzet tegen het nationale stelsel. Ook zou het volgen van eiser leiden tot ongewenst forum shoppen.
De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde dat de verblijfsvergunning terecht met ingang van 4 mei 2022 is verleend. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de verblijfsvergunning asiel is toegekend met ingang van 4 mei 2022.