Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft op 24 november 2022 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 november 2022 en de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zijn voorgenomen overdracht op 25 november 2022 achterwege blijft. Alleen al omdat de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken, treft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening. Nadat de termijn is verstreken, zal de voorzieningenrechter uitspraak doen op het resterende deel van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
6. Wat ook zij van verweerders primaire standpunt, de rechtbank is van oordeel dat als gevolg van de toewijzing van het verzoek om een voorlopig voorziening op 24 november 2022 in de procedure over het overdrachtsbesluit de uitvoering van dat overdrachtsbesluit en daarmee ook de overdrachtstermijn is opgeschort. Immers, de voorzieningenrechter van de Afdeling heeft de voorlopige voorziening getroffen dat de voorgenomen feitelijke overdracht achterwege dient te blijven. Eiser stelt weliswaar dat dit in de vorm van een ordemaatregel is gebeurd, maar dat maakt dit niet anders. Een ordemaatregel is immers ook een voorlopige voorziening. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2020. Daarmee bestaat er nog steeds een concreet aanknopingspunt voor overdracht.
dan wel vanaf het tijdstip waarop het beroep of het bezwaar niet langer opschortende werking heeft overeenkomstig artikel 27, lid 3 van de Dublinverordening.
de” overdracht niet opgeschort, maar een concreet geplande feitelijke overdracht verboden. Er is niet bepaald dat “d
e” overdracht wordt opschort totdat op het hoger beroep is beslist; deze beslissing is (nog) niet worden genomen door de Afdeling. De rechtbank zal evenwel bovengenoemde uitspraak van de Afdeling volgen en in deze zaak van toepassing achten omdat de ratio van artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening, ziet op het bieden van rechtsbescherming aan de vreemdeling. Deze bepaling is in Deel IV van de Dublinverordening opgenomen, welk deel specifiek betrekking heeft op procedurele waarborgen. Eiser is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank in de Dublinprocedure en heeft (daardoor begrijpelijk) hoger beroep ingesteld en is, omdat de feitelijke overdracht reeds was gepland, ook opgekomen tegen de voorgenomen feitelijke overdracht en heeft noodzakelijkerwijs ook in beide procedures om voorlopige voorzieningen moeten verzoeken. Het is dan ook op verzoek van én in het belang van eiser dat de op 25 november 2022 voorgenomen overdracht is verboden. Dat de getroffen ordemaatregel tevens tot gevolg heeft dat, op grond van bovenstaande Afdelingsuitspraak, ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening de overdrachtstermijn wordt opgeschort en daarmee de overdrachtstermijn niet is verstreken, zal door eiser als onwenselijk worden ervaren, maar is de juridische consequentie van het aanwenden van rechtsmiddelen. De beroepsgrond dat de uiterste overdrachtsdatum is verstreken slaagt dus niet. Het opschorten van de rechtsgevolgen van het overdrachtsbesluit is derhalve in het belang van eiser. De rechtbank acht deze uitleg verenigbaar met de conclusie van Advocaat-Generaal De La Tour van 17 november 222 in procedure C-556/21 [5] . In deze conclusie heeft de AG onder meer het navolgende overwogen:
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring;
- gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.100,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,00.