Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
84 Voor de voortduring van een maatregel van bewaring is er in artikel 15, lid 3, van richtlijn 2008/115 en artikel 9, lid 5, van richtlijn 2013/33, dat op grond van artikel 28, lid 4, van verordening nr. 604/2013 ook van toepassing is op overdrachtsprocedures die onder die verordening vallen, voorzien in periodieke toetsing. Op grond van deze bepalingen moet die toetsing „met redelijke tussenpozen” plaatsvinden en betrekking hebben op de vraag of nog steeds is voldaan aan de voorwaarden voor rechtmatigheid van de bewaring. Bij bewaring in de zin van richtlijn 2013/33 of verordening nr. 604/2013 moet de periodieke toetsing steeds worden uitgevoerd door een rechterlijke autoriteit, terwijl volgens richtlijn 2008/115 de toetsing aan controle door een rechterlijke autoriteit wordt onderworpen in het geval van een lange periode van bewaring.
85 Aangezien de Uniewetgever, zonder uitzondering, vereist dat het toezicht op de naleving van de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring „met redelijke tussenpozen” plaatsvindt, moet de bevoegde autoriteit dat toezicht ambtshalve uitoefenen, ook als de betrokkene daar niet om verzoekt.
11. De rechtbank overweegt dat het beoordelen of de voortduring van de maatregel rechtmatig is, een verderstrekkend onderzoek behelst dan de beoordeling van de voortvarendheid waarmee verweerder handelt en de beoordeling of zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring is immers uitsluitend bij wijze van “ultimum remedium” toegestaan. Dit betekent, naar het oordeel van de rechtbank, dat verweerder zich hier voortdurend en dus gedurende de gehele tenuitvoerlegging van de maatregel rekenschap van moet geven. Het beoordelen of kan en dus moet worden volstaan met de oplegging van een lichter middel is derhalve niet één beoordelingsmoment dat zich uitsluitend bij oplegging van de maatregel voordoet, maar vergt een voortdurende beoordeling of -inmiddels wel- kan worden volstaan met de oplegging van een lichter middel. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank, deze zittingsplaats, van 28 september 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:10658). De rechtbank merkt op dat verweerder zich hier doorgaans ook bewust van lijkt de zijn omdat in de vertrekgesprekken die worden gevoerd geregeld vragen worden gesteld aan de betreffende vreemdeling die er op duiden dat de regievoerder zich ervan vergewist of er -inmiddels- omstandigheden zijn waaruit volgt dat kan en dus ook moet worden volstaan met een lichter middel en de maatregel van bewaring dus moet worden opgeheven. De rechtbank constateert echter dat in de zogenoemde M120 zelden een overweging is gewijd aan de -vereiste- beoordeling of kan worden volstaan met oplegging van een lichter middel. In de M120 worden de handelingen weergegeven die zijn verricht om uitzetting of overdracht te kunnen effectueren of wordt weergegeven wat de stand van de procedure is als de betrokken vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de maatregel is gegrond op de Opvangrichtlijn. De rechter dient echter alle rechtmatigheidsaspecten van de voortduring van de maatregel te kunnen beoordelen en dient daartoe ook in staat te worden gesteld.
12. De maatregel tot inbewaringstelling is een inbreuk op het grondrecht op vrijheid en daarmee het meest belastende besluit dat verweerder kan nemen. De bewijslast dat de maatregel rechtmatig is opgelegd én de bewijslast dat de maatregel gedurende de gehele tenuitvoerlegging rechtmatig voortduurt rust dan ook op verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dat het niet volstaan met de oplegging van een lichter middel een voortdurende afweging van verweerder moet zijn. Om eiser, zijn gemachtigde en de rechter in staat te stellen de rechtmatigheid van de maatregel en voortduring hiervan te kunnen beoordelen, zal door verweerder niet alleen uitdrukkelijk bij de oplegging van de maatregel en bij het motiveren van een verlengingsbesluit, maar ook elke keer als een volgberoep wordt ingesteld, dan wel de voortduring is onderworpen aan een periodieke controle die niet is ingeleid door een volgberoep, in de voortgangsrapportage M120 moeten worden gemotiveerd waarom niet is volstaan met oplegging van een lichter middel.
Door betrokkene zijn in het vertrekgesprek geen omstandigheden aangevoerd naar aanleiding waarvan de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren.” opgenomen en daarmee niet voldaan aan zijn plicht om zorgvuldig te motiveren waarom niet kon worden volstaan met oplegging van een lichter middel. Eiser stelt dat deze handelwijze dermate onzorgvuldig is, dat de voortduring van de maatregel onrechtmatig is geworden en het beroep gegrond moet worden verklaard en de maatregel onmiddellijk moet worden opgeheven.