ECLI:NL:RBDHA:2023:20457

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2023
Publicatiedatum
22 december 2023
Zaaknummer
NL23.23227
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen op asielaanvraag

Eiser heeft op 10 december 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het niet tijdig beslissen door de staatssecretaris heeft eiser op 2 november 2022 ingebreke gesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 maart 2023 de staatssecretaris opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, maar deze heeft niet aan die termijn voldaan.

De rechtbank stelt vast dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen ontvankelijk en gegrond is. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht wordt het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld aan een besluit, waardoor beroep mogelijk is. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie dat geen nieuwe ingebrekestelling vereist is wanneer een rechter een termijn heeft gesteld.

De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris binnen vier weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, is een dwangsom van € 200,-- verschuldigd, met een maximum van € 15.000,--. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 418,50.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt opgedragen binnen vier weken alsnog een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23227

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Jalal Amer, eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

Inleiding

Eiser heeft op 10 december 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Eiser heeft de staatssecretaris op 2 november 2022 ingebreke gesteld
Bij uitspraak van 23 maart 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen, gegrond verklaard (NL22.23617). De rechtbank heeft de staatssecretaris opgedragen om binnen acht weken na de bekendmaking van de uitspraak het besluit op de aanvraag te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze
bekend te maken.
Op 14 augustus 2023 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
2.1.
Op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden.
2.2.
Op grond van het tweede lid van artikel 6:12 van Pro de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
2.3.
Op grond van het derde lid van artikel 6:12 van Pro de Awb kan, indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, het beroep worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
3. In de uitspraak van 23 maart 2023 heeft de rechtbank, zittingsplaats ‘s- Hertogenbosch aan de staatssecretaris een concrete beslistermijn van acht weken gegeven waarbinnen hij het besluit bekend moet maken. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris niet heeft beslist op de aanvraag van eiser. Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:673), volgt dat er geen nieuwe ingebrekestelling is vereist wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet houdt. Het voorgaande maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond is.
4. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb moet de rechtbank aan haar uitspraak een dwangsom verbinden.
5. De rechtbank hecht er aan om het volgende op te merken. Zoals hiervoor onder 3. reeds is vastgesteld, heeft de staatssecretaris niet binnen de eerder door de rechtbank gegeven termijn beslist. Inmiddels zijn na een aanvullend gehoor meerdere maanden verstreken, en is bovendien de bovengrens van 21 maanden overschreden, zonder dat de staatssecretaris een besluit heeft genomen. De rechtbank acht deze gang van zaken ontluisterend en zal dan ook bepalen dat de staatssecretaris binnen vier weken een besluit bekend dient te maken. Ook stelt de rechtbank, gelet op het voorgaande, de hoogte van de (rechterlijke) dwangsom vast op een bedrag van € 200,-- per dag voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn van vier weken wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,--.
5.1.
De rechtbank komt gelet op de jurisprudentie ter zake (ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353) niet toe aan de vaststelling van de bestuurlijke dwangsom.
6. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,-- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 200,-- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,--;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.