Eiser diende op 25 maart 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris nam geen besluit binnen de wettelijke termijn, waarop eiser een beroepschrift indiende. De rechtbank verklaarde eerder het beroep gegrond en gaf de staatssecretaris een beslistermijn van twee weken om alsnog een besluit te nemen.
Ondanks deze uitspraak en de opgelegde dwangsom van €7.500, bleef de staatssecretaris in gebreke en verstreken meerdere maanden zonder besluit. De rechtbank constateert dat de maximale termijn van 21 maanden is overschreden en acht deze gang van zaken ontluisterend.
De rechtbank vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en draagt de staatssecretaris op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €200 per dag opgelegd, met een maximum van €15.000, en wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser.
De rechtbank wijst op vaste jurisprudentie omtrent ingebrekestelling en benadrukt dat na het niet naleven van een rechterlijke termijn geen nieuwe ingebrekestelling vereist is. De uitspraak is gedaan door rechter T.A. Oudenaarden en griffier M.J. Tijnagel en is openbaar gemaakt.