ECLI:NL:RBDHA:2023:20593
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde vrijstaande woning en proceskostenvergoeding
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning, stellende dat deze te hoog is vastgesteld op €1.938.000. Eiser voert onder meer aan dat de onderlinge verschillen in waarderingsfactoren onvoldoende zijn toegelicht, de ligging onjuist is gekwalificeerd en dat gedateerde voorzieningen onvoldoende zijn meegenomen.
Verweerder heeft een waardematrix overgelegd met vergelijkingsobjecten die qua bouwkenmerken, ligging en gebruiksoppervlakte vergelijkbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede door inzichtelijke correcties en indexering.
De rechtbank constateert echter dat verweerder artikel 40 Wet Pro WOZ heeft geschonden door onvoldoende inzicht te geven in de onderbouwing van de waarderingsfactoren en de waardes van objectonderdelen, waardoor eiser pas in de beroepsfase over deze gegevens kon beschikken. Dit rechtvaardigt een proceskostenvergoeding.
Artikel 8:42 Awb Pro is volgens de rechtbank niet geschonden omdat de relevante gegevens aan eiser zijn verstrekt in de bezwaarfase en de rechtbank voldoende inzicht kreeg via de waardematrix. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens schending van artikel 40 Wet WOZ.