ECLI:NL:RBDHA:2023:20595
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en proceskostenvergoeding na bezwaar en beroep
Eiser, eigenaar van een woning te [plaats], betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van €393.000 per 1 januari 2021. Eiser stelt een lagere waarde van maximaal €375.000 voor en voert aan dat verweerder onvoldoende inzicht heeft gegeven in de waarderingsmethode, correcties en indexering, en onvoldoende rekening heeft gehouden met kenmerken zoals gedateerde voorzieningen en ligging.
Verweerder heeft de waarde vastgesteld met een waardematrix en vergelijkingsobjecten, waarbij correcties voor KOUDV-factoren, ligging en voorzieningen zijn toegepast. De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld en dat de gehanteerde methode en correcties inzichtelijk zijn.
Wel is geoordeeld dat verweerder artikel 40 van Pro de Wet WOZ heeft geschonden door onvoldoende informatieverstrekking in de bezwaarfase, wat eiser belemmerde in zijn controle en beoordeling. Dit leidt tot een proceskostenvergoeding en teruggave van het griffierecht. Artikel 8:42 Awb Pro is niet geschonden omdat de relevante gegevens wel aan de rechter beschikbaar zijn gesteld.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten van €1.674 en tot terugbetaling van het griffierecht van €50 aan eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €393.000 wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding en terugbetaling griffierecht.