Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 18 juni 2022, waarbij de beslistermijn door een wijziging in het besluit WBV 2022/22 met negen maanden werd verlengd tot 18 september 2023. Eiser stelde de staatssecretaris op 20 september 2023 in gebreke nadat de beslistermijn was verstreken.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en legt op grond van het 8+8-wekenmodel een termijn op waarbinnen eerst een gehoor moet plaatsvinden en daarna een besluit moet worden genomen. Omdat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND niet van toepassing is verklaard door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, kan de rechtbank een dwangsom opleggen bij niet-naleving.
De rechtbank bepaalt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €7.500 voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €209,25 vanwege de lichte aard van de zaak en het inschakelen van professionele juridische hulp. Het beroep wordt derhalve kennelijk gegrond verklaard en het niet tijdig genomen besluit vernietigd.