Eiser diende op 25 mei 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zes maanden beslist, mede door een verlenging van negen maanden op grond van een besluit van 27 september 2022. De beslistermijn liep daardoor af op 25 augustus 2023. Eiser stelde verweerder op 28 augustus 2023 in gebreke en diende daarna beroep in wegens het uitblijven van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet binnen de verlengde termijn heeft beslist. De rechtbank legt een termijn van zestien weken op waarbinnen verweerder eerst een eerste gehoor moet afnemen binnen acht weken en vervolgens binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €7.500.
Daarnaast krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €209,25 toegekend vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en de lichte aard van de zaak. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier N. Khalloufi, en is openbaar bekendgemaakt op 8 november 2023.