ECLI:NL:RBDHA:2023:2395

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2023
Publicatiedatum
2 maart 2023
Zaaknummer
NL22.10393
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 8:54 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 4:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij verlate asielbeslissing

Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 18 november 2021. Verweerder besloot uiteindelijk op 6 september 2022 en verleende een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot de datum van aanvraag.

Hierdoor kwam verweerder aan het beroep tegemoet en ontbrak het procesbelang voor het beroep op het niet tijdig beslissen. Eiser handhaafde het beroep vanwege het ontbreken van een dwangsom, maar de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND sluit de toepassing van bestuurlijke dwangsommen bij asielbesluiten uit. Dit is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 9 december 2022 over het inhoudelijke bezwaar en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Eiser wordt wel in de proceskosten van € 418,50 tegemoetgekomen vanwege de beroepsprocedure tegen het niet tijdig beslissen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; eiser krijgt proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.10393

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: L. Neuhaus).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser op 3 juni 2022 heeft ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag van 18 november 2021.
Op 6 september 2022 heeft verweerder alsnog op de aanvraag beslist. Verweerder heeft daarbij een verblijfsvergunning asiel aan eiser verleend met ingang van 18 november 2021, geldig tot 18 november 2026. Verweerder heeft in het besluit verder vastgesteld dat hij geen dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig beslissen.
Vervolgens heeft eiser de rechtbank op 12 september 2022 bericht dat hij zijn beroep handhaaft.
Eiser heeft tegen het besluit van 6 september 2022 ook beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer NL22.17726. De rechtbank heeft op 9 december 2022 uitspraak gedaan op dat beroep [1] .
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] .

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder met de inwilliging van de asielaanvraag aan het beroep tegemoet is gekomen, zodat eiser gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft.
2. Eiser heeft zijn beroep willen handhaven omdat verweerder in het besluit van 6 september 2022 heeft geconcludeerd dat hij aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen verschuldigd is. De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) sluit uit dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb worden toegepast op besluiten op asielaanvragen. Om die reden kan verweerder aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen verbeuren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 30 november 2022 [3] geoordeeld dat de Tijdelijke wet in zoverre niet in strijd is met het Unierecht. Nu artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet in dit geval de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uitsluit, kan eiser met het beroep niet bereiken wat hij wil, zodat ook in zoverre het procesbelang ontbreekt.
3. Voor wat eiser in zijn brief van 12 september 2022 inhoudelijk heeft aangevoerd tegen het besluit van 6 september 2022 wordt kortheidshalve verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van 9 december 2022.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Eiser heeft recht op een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten in het kader van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

2.Algemene wet bestuursrecht