Eiser diende een verzoek om internationale bescherming in Nederland in, nadat hij eerder in Bulgarije een asielaanvraag had gedaan. De staatssecretaris weigerde de aanvraag te behandelen op basis van de Dublinverordening en het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij Nederland de verantwoordelijkheid aan Bulgarije toekende.
Eiser voerde aan dat de situatie in Bulgarije voor Dublinclaimanten ernstig is verslechterd, onderbouwd met recente AIDA-rapporten en andere bronnen die grootschalige pushbacks en mishandeling aantonen. De rechtbank oordeelde dat deze pushbacks een fundamentele systeemfout vormen die de hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt en dat er serieuze aanwijzingen zijn dat ook Dublinclaimanten hierdoor worden getroffen.
De rechtbank stelde dat de staatssecretaris niet zonder nader onderzoek mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ontbreken van informatie over de situatie van Dublinclaimanten in Bulgarije mag niet voor risico van de vreemdeling komen. Daarom werd het besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen na nader onderzoek.
Daarnaast kreeg eiser een proceskostenvergoeding toegewezen. De uitspraak bevestigt dat de staatssecretaris zorgvuldiger moet toetsen bij overdracht van Dublinclaimanten aan lidstaten met ernstige tekortkomingen in het asielproces.