ECLI:NL:RBDHA:2023:3226
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na verlopen overdrachtstermijn volgens Dublinverordening
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 7 oktober 2020 een asielaanvraag in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de behandeling. Dit besluit staat in rechte vast.
Omdat eiser niet tijdig aan Italië werd overgedragen, nam verweerder hem alsnog in de nationale procedure op. Eiser diende op 14 augustus 2021 een nieuwe aanvraag in die werd ingewilligd met die datum als ingangsdatum van de verblijfsvergunning.
Eiser betoogde dat de ingangsdatum ten onrechte niet op 7 oktober 2020 was vastgesteld, stellende dat verweerder verantwoordelijk bleef wegens het niet tijdig overdragen. De rechtbank oordeelde dat de eerste procedure was geëindigd en dat de tweede aanvraag de nieuwe procedure startte. De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde dat de ingangsdatum correct was vastgesteld op 14 augustus 2021.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie waarin een ander feitelijk kader gold, waardoor de situatie niet vergelijkbaar was. Er was geen intrekking van het claimverzoek of het eerste besluit, waardoor de eerste procedure formeel was afgesloten.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning blijft 14 augustus 2021.