ECLI:NL:RBDHA:2023:3408
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening en Italië verantwoordelijk
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 20 juni 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat hij illegaal via Italië de EU was binnengekomen en verzocht Italië om overname van de asielaanvraag. Italië reageerde niet binnen de gestelde termijn, waardoor het verzoek geacht werd te zijn aanvaard. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam de asielaanvraag van eiser niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zonder meer toepasbaar is op Italië vanwege structurele tekortkomingen in het Italiaanse opvangsysteem, onderbouwd met het AIDA-rapport en een Italiaanse 'circular letter' waarin Italië tijdelijke opschorting van Dublinoverdrachten aankondigde. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd dat hij bij overdracht aan Italië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro.
De rechtbank nam ook kennis van de tijdelijke opschorting van Dublinoverdrachten door Italië vanwege opvangproblemen, maar vond dit geen reden voor verweerder om de asielaanvraag aan zich te trekken. De opschorting was van tijdelijke aard en verweerder hield contact met Italiaanse en Europese autoriteiten. De rechtbank benadrukte dat als de opschorting langer duurt dan de overdrachtstermijn, verweerder alsnog de asielaanvraag moet behandelen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet te behandelen is ongegrond verklaard.