Eiser heeft op 11 maart 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden en een ingebrekestelling op 12 september 2022, stelde eiser beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden, de ingebrekestelling rechtsgeldig is gedaan, en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000 is het beroep daarom kennelijk gegrond.
De rechtbank overweegt de toepasselijkheid van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en verwijst naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die het uitsluiten van bestuurlijke dwangsommen niet in strijd achten met het Unierecht, maar het afschaffen van rechterlijke dwangsommen wel.
De rechtbank draagt de staatssecretaris op binnen zestien weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag en legt een dwangsom van € 100,- per dag op bij overschrijding, met een maximum van € 7.500,-. Tevens worden de proceskosten van eiser vastgesteld op € 418,50.