Eiser diende op 9 januari 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 21 juni 2021 afgewezen, maar het beroep hiertegen werd op 26 december 2021 gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Na ingebrekestelling wegens het niet tijdig beslissen, stelde eiser op 28 juli 2022 beroep in tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris niet binnen de zes maanden beslistermijn heeft beslist, waardoor het beroep gegrond is. De rechtbank draagt op dat binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit wordt genomen. Deze termijn is redelijk geacht, omdat de wettelijke termijn van 21 maanden ruim is overschreden, maar een kortere termijn onzorgvuldig zou zijn.
Verder legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van €7.500. De proceskosten worden vastgesteld op €418,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 27 maart 2023.