Eiseres, huurder van een hoekwoning, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van haar woning vastgesteld op €232.000. Zij stelde dat de waarde te hoog was vanwege bouwkundige gebreken en overhandigde een taxatierapport van €205.000. Verweerder handhaafde de waarde en stelde dat eiseres geen belang had bij het beroep omdat zij geen direct financieel nadeel ondervond.
De rechtbank stelde vast dat eiseres geen materieel procesbelang had, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard. De rechtbank hoefde daardoor niet inhoudelijk te oordelen over de WOZ-waarde. Eiseres verzocht tevens om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Hoewel de redelijke termijn met ruim een maand werd overschreden, oordeelde de rechtbank dat eiseres door een machtiging aan haar gemachtigde geen persoonlijke compensatie voor spanning en frustratie zou ontvangen. Daarom werd het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen. Er was ook geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 13 april 2023. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.