Conclusie
1.Inleiding en overzicht
relativiteitsvereistevan art. 8:69a Awb eraan in de weg staat dat een woninghuurder in een procedure over een op zijn naam gestelde WOZ-beschikking met succes kan klagen over schending van art. 17 Wet Pro WOZ, in een geval waarin de woninghuurder – in de woorden van het Hof – “geen direct financieel gevolg (…) ondervindt” (van een verhoging of vermindering) van de WOZ-waarde. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. De beide belanghebbenden in deze procedures (hierna in enkelvoud: belanghebbende) bestrijden de juistheid van dat oordeel.
zaaksoverstijgend belang. Het oordeel van het Hof heeft namelijk navolging gekregen van enige andere feitenrechters in vergelijkbare zaken (4.27). Verder zouden de te wijzen arresten mogelijk een verderstrekkende betekenis kunnen hebben omdat het relativiteitsvereiste tot nog toe weinig aan de orde is geweest in de belastingrechtspraak (vgl. 4.25-4.29).
Onderdeel 3gaat in op het procesbelang van een woninghuurder bij een rechtsmiddel tegen een WOZ-beschikking waarbij de woninghuurder geen financieel belang heeft. Ook bij deze bespreking neemt het arrest HR BNB 2020/66 een centrale plaats in. Ik ga op de kwestie van procesbelang in, enerzijds omdat het achtergrond geeft (waarom niet de weg van het ontbreken van een procesbelang in plaats van de (nood?)greep naar het relativiteitsvereiste?) en anderzijds omdat belanghebbende aan het arrest HR BNB 2020/66 een argument ontleent dat het oordeel van het Hof onjuist is.
beschouwing over de centrale vraag. Daaruit volgt dat ik meen, uitgaande van HR BNB 2020/66, dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van het relativiteitvereiste.
Onderdeel 6betreft een
nabeschouwing. Die nabeschouwing mondt erin uit dat ik de Hoge Raad in overweging geef het arrest HR BNB 2020/66 te nuanceren op het punt van het procesbelang (
point d’intérêt point d’action).
2.WOZ-beschikkingenstelsel
nieteen zuivere object-beschikking is in die zin dat er met betrekking tot een onroerende zaak slechts één WOZ-beschikking wordt genomen die geldt voor alle belanghebbenden bij de WOZ-waarde van die onroerende zaak. Dat is wel het geval in het systeem waarin het concept wetsvoorstel Wet verbetering rechtsbescherming WOZ voorziet dat eind 2018 tot begin 2019 ter (internet)consultatie is voorgelegd. [18] In het huidige systeem heeft een WOZ-beschikking weliswaar betrekking op een onroerende zaak maar zij wordt genomen
ten aanzien vaneen subject. [19] Er kan daarom sprake van zijn dat ter zake van één onroerende zaak meerdere WOZ-beschikkingen worden genomen. Een WOZ-beschikking is zo bezien een individuele object-beschikking. [20] Dit een en ander volgt uit diverse onderdelen van het stelsel. Zo spreekt art. 23(1)(a) over de NAW-gegevens “van degene te wiens aanzien de beschikking wordt genomen” en ook elders (bijv. art. 26(1)(a) en art. 28 Wet Pro WOZ [21] ) wordt over ‘ten aanzien van’ gesproken in het kader van het nemen van een WOZ-beschikking. Ook de wijze van rechtsbescherming sluit aan bij een individuele WOZ-beschikking (vgl. 2.12). Verder volgt uit art. 3 Uitvoeringsbesluit Pro Wet waardering onroerende zaken onmiskenbaar dat de (materiële) wetgever uitgaat van een individuele object-beschikking. Dat artikel bepaalt namelijk dat indien een vastgestelde WOZ-waarde ten gunste van een belanghebbende wordt verminderd, de heffingsambtenaar ook de te hoog vastgestelde waarde vermindert ten gunste van alle overige belanghebbenden ten aanzien van wie met betrekking tot dezelfde onroerende zaak de waarde eveneens te hoog is vastgesteld.
bekendmaking, te weten dat ‘de’ WOZ-beschikking wordt toegezonden aan zowel de gebruiker als de zakelijk gerechtigde. Met ‘de’ WOZ-beschikking wordt gedoeld op de WOZ-beschikking als bedoeld in art. 22 Wet Pro WOZ. In dat artikel, noch in art. 23 Wet Pro WOZ noch in art. 24(1) Wet WOZ, is met zoveel woorden bepaald ten aanzien van wie de WOZ-beschikking wordt genomen, dus ook niet dat een WOZ-beschikking
moetworden genomen zowel ten aanzien van de gebruiker als ten aanzien van de zakelijk gerechtigde. Betoogd zou echter kunnen worden dat dit laatste wel besloten ligt in art. 24(3) Wet WOZ. Het komt mij voor dat dit – in elk geval tot het hierna te behandelen arrest HR BNB 2020/66 – wel de gangbare opvatting was (vgl. het ‘automatisme’ genoemd in onderdeel 3 van de noot van Monsma hierna in 2.20). [22]
alleende bekendmaking van een WOZ-beschikking regelt en, samenhangend, dat (ii) zij dus niet (tevens) impliciet regelt ten aanzien van wie een WOZ-beschikking moet worden genomen. Anders gezegd: weliswaar moet de heffingsambtenaar op grond van art. 24(3) Wet WOZ aan de gebruiker een WOZ-beschikking bekendmaken (eerste zin), maar dat kan ook de WOZ-beschikking zijn die ten aanzien van de zakelijke gerechtigde is genomen (derde zin). Dat laatste is het geval indien de gebruiker ‘geen belang’ heeft bij een ‘eigen’ WOZ-beschikking. Wat bij (ii) is vermeld, overweegt de Hoge Raad niet expliciet, maar een sterke aanwijzing voor deze uitleg is gelegen in de overweging dat art. 24(3) Wet WOZ “de heffingsambtenaar niet verplicht om een beschikking (…) te nemen te aanzien van een gebruiker (…) indien die gebruiker geen belang heeft bij die beschikking.” Het ligt namelijk niet in de rede om te veronderstellen dat,
alsin art. 24(3) Wet WOZ wel besloten zou liggen dat de heffingsambtenaar ten aanzien van de gebruiker een WOZ-beschikking moet nemen, de Hoge Raad – zonder nadere motivering en in een overweging die slechts een ‘opmerking’ betreft – op die regel een niet in de wettekst vermelde (‘geen belang’)uitzondering zou introduceren. Het ‘geen belang’-criterium is immers geen onderdeel van art. 24(3) Wet WOZ.
niet(impliciet) regelt ten aanzien van wie een WOZ-beschikking moet worden genomen, rijzen twee vragen. De eerste vraag is waarop dan gebaseerd is dat indien een gebruiker wél belang heeft bij een ‘eigen’ WOZ-beschikking, de heffingsambtenaar een WOZ-beschikking ten aanzien van de gebruiker mag nemen. Het komt mij voor dat in het stelsel van de Wet WOZ besloten ligt dat de heffingsambtenaar de bevoegdheid heeft een WOZ-beschikking te nemen ten aanzien van een belanghebbende daarbij.
qualitate quarecht heeft op een ‘eigen’ WOZ-beschikking maar dat dit ervan afhangt of hij een belang heeft bij een WOZ-beschikking.
3.Procesbelang
aangenomendient te worden dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking is bekendgemaakt, een belang heeft bij die beschikking en
dusbij de daarin vastgestelde waarde. Gelet op die aanname doet voor de ontvankelijkheid niet ter zake of diegene daadwerkelijk een belang heeft als bedoeld in rov. 2.4.2 van het arrest. Aan de procesbelang-horde van “in een betere positie kan brengen” (HR BNB 2014/122) wordt strikt genomen niet voorbijgegaan. [31] Die horde wordt in wezen met behulp van de aanname genomen. Immers, als aangenomen wordt dat een persoon belang heeft bij de vastgestelde waarde, kan het rechtsmiddel tegen de WOZ-beschikking hem in een betere positie brengen omdat het rechtsmiddel tot wijziging van die waarde kan leiden. Het gaat al met al in HR BNB 2020/66 om een betrekkelijk formele benadering van het procesbelang. Immers, de benadering brengt mee dat er in een voorkomend geval (toch) een procesbelang is, hoewel er geen materieel belang is. [32] Met geen materieel belang bedoel ik dan dat er ‘geen belang’ is als bedoeld in rov. 2.4.2 van HR BNB 2020/66. Met andere woorden: het gaat in zo’n voorkomend geval om een situatie waarin de WOZ-beschikking niet genomen had hoeven te worden omdat er geen belang daarbij is (en dat gebrek aan belang er ook in de weg had gestaan dat de betrokkene met succes had kunnen verzoeken om een ‘eigen’ WOZ-beschikking).
hoeftte nemen ten aanzien van de gebruiker als die geen belang heeft bij die beschikking. Dat kan geen verklaring zijn voor de aanname. De belangrijkste reden voor de aanname is volgens mij te vinden in het arrest HR BNB 2018/5, [34] waarnaar de Hoge Raad verwijst. [35] Die reden betreft de praktische uitvoerbaarheid tegen de achtergrond van het bredere gebruik van de WOZ-waarde. De Hoge Raad overweegt in dat arrest namelijk:
alseen WOZ-beschikking wordt genomen, dan is vervolgens het (proces)belang bij die beschikking (op basis van de aanname) een gegeven. Het is dus in de eerste plaats aan de heffingsambtenaar om te bepalen of een gebruiker wel een belang heeft bij een ‘eigen’ WOZ-beschikking. Vgl. ook de redactie Vakstudie Nieuws: [37]
59. VraagMoet de gemeente aan huurders van woningen een voor bezwaar vatbare WOZ-beschikking sturen?
4.Het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Awb
alleopzichten rechtmatig besluit. [53] Wegens deze uiteenlopende visies op dit onderwerp heeft de regering onderzoek laten doen naar de wenselijkheid van invoering van het relativiteitsvereiste. Er is een onderzoeksrapport verschenen [54] en de Commissie Wetgeving heeft zich over deze kwestie gebogen. Na lang wikken en wegen heeft zij echter geen voorontwerp uitgebracht wegens het ontbreken van overeenstemming binnen de Commissie. Uiteindelijk is er vanuit de Tweede Kamer het verzoek aan de regering gekomen om een voorstel voor het relativiteitsvereiste.
kennelijkniet strekt tot …’. Dit moet zo worden geïnterpreteerd dat het evident moet zijn dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming van de belangen van de belanghebbende. Als er serieuze twijfel bestaat over het beschermingsbereik van de norm, kan niet meer worden gesproken van ‘kennelijk’ of ‘evident’. [57] “[A]ls de vraag heel moeilijk is, is het antwoord niet evident en dus niet «kennelijk» in de zin van het voorgestelde artikel 8:69a.” [58]
voorde inhoudelijke beoordeling. Toetsing aan het relativiteitsvereiste ziet op de
vervolgvraag of de betrokken wet ook tegen dat nadeel beoogt te beschermen: [65]
5.Beschouwing
striktrelativiteitsvereiste gaat: de toets moet worden aangelegd op het niveau van de desbetreffende norm. Bepalend is het belang dat de desbetreffende norm beoogt te beschermen; het gaat uitdrukkelijk niet om de (globale) strekking van de regeling (4.5 en 4.18). Dat belang moet vergeleken worden met het objectieve belang van degene die zich op (schending van) de norm beroept. Niet het subjectieve motief van diegene voor het instellen van het beroep of zijn eigen gedrag zijn relevant, maar het objectieve belang waaraan de insteller van het beroep zijn beroepsrecht ontleent (4.21). Dit laatste is in belastingzaken overigens niet één op één toepasbaar omdat het beroepsrecht in belastingzaken niet gekoppeld is aan een materieel belanghebbendebegrip, maar aan een formeel belanghebbendebegrip (art. 26a AWR).
prima faciemoeilijk denkbaar is dat indien diegene klaagt over onjuiste toepassing van de desbetreffende norm (die is toegepast), het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het besluit wegens onjuiste toepassing van die norm.
bij de daarin vastgestelde waardeeen belang heeft (3.2), kan naar mijn mening
nietworden geoordeeld dat de norm van art. 17 Wet Pro WOZ
nietstrekt tot bescherming van de woninghuurder. Er is in die zin een parallel met de maatstaf in het algemene bestuursrecht (waarbij het gaat om het objectieve belang waaraan de insteller van het beroep zijn beroepsrecht ontleent; zie 5.3) dat aangesloten wordt bij het belang waarin het procesbelang van de insteller van het beroep is gelegen.
alseen WOZ-beschikking genomen is ten aanzien van een persoon,
aangenomenmoet worden dat die persoon een belang heeft bij de daarin vastgestelde WOZ-waarde.
6.Nabeschouwing
1.6.2 Knelpunten 2022
en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is” (onderstreping MP). [98]
dwingendvolgt uit het eerdere arrest HR BNB 2018/5. De beslissing bouwt weliswaar voort op dat laatste arrest (en is in die zin ook goed te volgen), maar zij houdt wel een stap
verderin (vgl. 3.5) en het eerdere arrest dwingt volgens mij niet zonder meer tot die stap. Voor de kwestie die in HR BNB 2018/5 aan de orde is, spreekt mij de pragmatische reden aan om niet te toetsen welk belang er is indien een hogere WOZ-waarde wordt bepleit, namelijk de praktische uitvoerbaarheid tegen de achtergrond van het bredere gebruik van de WOZ-waarde. Als iemand daadwerkelijk belang heeft bij een WOZ-waarde, past het naar mijn mening bij het bredere gebruik van de WOZ-waarde om uit te gaan van – om Monsma aan te halen – ‘de volwassenheid’ van die persoon: “Als een eigenaar een hogere waarde bepleit dan zal hij daar wel belang bij hebben en hij zal er ook over hebben nagedacht.” [103] De kwestie van een procesbelang bij een rechtsmiddel gaat echter vooraf aan de kwestie aan de orde in HR BNB 2018/5. Het is minder vanzelfsprekend, zelfs in het licht van het bredere gebruik van de WOZ-waarde, om met een aanname eraan voorbij te gaan of er überhaupt wel een materieel belang is bij de WOZ-waarde. Daarbij komt dat de procesbelangeis ook het algemeen belang dient dat niet zonder rechtvaardiging wordt geprocedeerd.
eenmaterieel belang van een andere orde dan bij de toets of er belang bestaat bij een hogere WOZ-waarde. Indien in het kader van een procesbelang
welzou worden getoetst of er een materieel belang is bij een rechtsmiddel tegen een ‘eigen’ WOZ-beschikking, is de vraag in hoeverre de praktische uitvoerbaarheid in het gedrang zou komen. Bij eigenaren is het materieel belang een gegeven gelet op de OZB; bij gebruikers van niet-woningen ook. Bij gebruikers van woningen kan al veel koren van het kaf worden gescheiden aan de hand van het aanslagbiljet indien daarop belastingen staan waarbij de WOZ-waarde als maatstaf is gehanteerd. Blijven over de gebruikers van woningen waarbij op het aanslagbiljet geen WOZ-waarde-gerelateerde belastingen staan. Daarbij zou indien zo’n gebruiker een rechtsmiddel aanwendt, een beoordeling moeten plaatsvinden of er niettemin toch een materieel belang is, bijvoorbeeld omdat er een WOZ-waarde-gerelateerde belasting is die nog niet is geheven of omdat sprake is van huur die valt onder de huurprijsbescherming op grond van het wws. Het lijkt me niet te veel gevergd van een belanghebbende om aan te geven waarin zijn belang is gelegen. Niettemin drukt zo’n onderzoek op de uitvoering.
welzou worden getoetst of er een materieel belang is. Het zou mij niet verbazen dat het aantal procedures van woninghuurders die geen materieel belang hebben, sterk zou verminderen. Dergelijke procedures lijken nu vooral te worden gevoerd met bijstand van een gemachtigde (afgaande op de jurisprudentie vermeld in 4.26-4.27). Indien in het kader van de ontvankelijkheid zou worden getoetst of sprake is van een materieel belang, zou er een prikkel zijn voor rechtsbijstandverleners – vooral voor degenen die op ‘no cure no pay’-basis opereren – om voorafgaand aan hun dienstverlening te toetsen of er wel sprake is van zo’n belang, om te voorkomen dat zij onnodig tijd spenderen aan een zaak. Ten tweede, het lijkt me zuiver om een vergelijking te maken met het alternatief dat de Hoge Raad aanreikt, namelijk dat de heffingsambtenaar voorafgaand aan het nemen van een WOZ-beschikking toetst of een gebruiker een ‘belang’ heeft. Afgevraagd kan worden of de impact op de uitvoering bij dat alternatief niet juist zwaarder is dan bij een beoordeling in een later stadium, te weten in het kader van de vraag of er sprake is van een procesbelang bij een rechtsmiddel. In het eerste geval moet immers de toets ten aanzien van iedere gebruiker worden uitgevoerd, en in het tweede geval alleen ten aanzien van degenen die een rechtsmiddel aanwenden.
geenbelang is, het te rechtvaardigen is dat toch kan worden geprocedeerd.