ECLI:NL:RBDHA:2023:6369
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op huur- en zorgtoeslag bij onrechtmatig verblijf toeslagpartner
Eiser vordert huur- en zorgtoeslag over 2019 en 2020. Verweerder stelde aanvankelijk nihil vast vanwege het onrechtmatig verblijf van eisers toeslagpartner. Na bezwaar kende verweerder deels toeslag toe tot en met april 2020, gebaseerd op de opschortende werking van het bezwaar tegen intrekking verblijfsvergunning. Eiser betwist dat hij vanaf mei 2020 geen recht meer zou hebben op zorgtoeslag en stelt dat verweerder meer maatwerk had moeten leveren.
De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang meer heeft bij beoordeling van beroepen tegen het intrekkingsbesluit van 3 februari 2022, maar wel bij het bestreden besluit van 9 januari 2023. Verweerder mocht uitgaan van de verblijfsgegevens van de IND, die aantoonden dat de toeslagpartner na 30 april 2020 geen rechtmatig verblijf had. Eiser bracht geen concrete aanknopingspunten aan om dit te betwijfelen.
De rechtbank wijst het beroep af voor zover het ziet op het bestreden besluit en verklaart beroepen tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser en moet het griffierecht vergoeden. De rechtbank acht de maatwerkverplichting van verweerder voldoende nagekomen.
Uitkomst: Beroepen tegen besluit van 3 februari 2022 niet-ontvankelijk, beroepen tegen besluit van 9 januari 2023 ongegrond, verweerder veroordeeld in proceskosten.