ECLI:NL:RVS:2020:97
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- P.H.A. Knol
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op zorg- en huurtoeslag bij intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod
Appellant had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die op 7 maart 2016 werd ingetrokken, met een inreisverbod van twee jaar. Zij stelde beroep en hoger beroep in tegen dit besluit, maar dit gaf geen rechtmatig verblijf volgens de geldende wet- en regelgeving. De Belastingdienst/Toeslagen stelde de zorg- en huurtoeslag over 2016 definitief vast op nihil en weigerde toeslagen over 2017 voor de periode tot 23 oktober 2017, omdat appellant geen rechtmatig verblijf had.
De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelden dat de door de IND toegekende verblijfscode 98 (geen rechtmatig verblijf) terecht werd gehanteerd. Het instellen van beroep schort de werking van het besluit op, maar het inreisverbod maakt dat appellant geen rechtmatig verblijf had. De Belastingdienst hoefde daarom niet af te wijken van de verblijfscode.
Appellant voerde aan dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase, maar de Afdeling concludeerde dat de dienst conform de Awb had gehandeld door een redelijke termijn te stellen voor het aangeven van de wens tot horen. Daarnaast faalden haar betogen dat bijzondere omstandigheden zoals haar situatie als alleenstaande vrouw uit Irak en medische situatie een uitzondering rechtvaardigen. De Afdeling bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellant geen recht heeft op zorg- en huurtoeslag over de betwiste periode.