ECLI:NL:RBDHA:2023:6527

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2023
Publicatiedatum
8 mei 2023
Zaaknummer
NL23.12245
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling met Marokkaanse nationaliteit

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, is op 27 februari 2023 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend.

De rechtbank heeft de maatregel reeds eerder getoetst in een uitspraak van 8 maart 2023, waarin de maatregel als rechtmatig werd beoordeeld. De huidige beoordeling richt zich op de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel sinds die datum.

Eiser stelde dat het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt omdat onduidelijk is wanneer hij aan de Marokkaanse autoriteiten kan worden gepresenteerd en of hij een laissez-passer zal ontvangen. De rechtbank oordeelt echter dat er geen aanwijzingen zijn dat het zicht op uitzetting is komen te ontbreken. Het feit dat er momenteel geen presentatie gepland is, leidt niet tot een andere conclusie.

De rechtbank benadrukt dat eiser actief en volledig moet meewerken aan zijn uitzetting. Uit het voortgangsrapport blijkt dat eiser dit niet doet, waardoor de langere duur van de maatregel en het uitblijven van een afspraak voor presentatie voor zijn rekening en risico komen. De ambtshalve toetsing bevestigt dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig is.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.12245

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: A. van Wijnen).

Procesverloop

Verweerder heeft op 27 februari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 28 april 2023 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 maart 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [1] Daarom staat nu ter beoordeling of sinds 8 maart 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt, omdat onduidelijk is wanneer eiser kan worden gepresenteerd aan de Marokkaanse autoriteiten. Ook is onduidelijk of aan eiser op dat moment een LP [2] wordt verstrekt.
5. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder voor eiser, is komen te ontbreken. Dat er op dit moment geen presentatie is gepland, leidt niet tot een andere conclusie. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [3] volgt dat van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. [4] Nu uit het voortgangsrapport en de vertrekgesprekken blijkt dat eiser dat niet doet, dient de langere duur van de maatregel van bewaring en de lange duur voor een afspraak voor een presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten dan ook voor rekening en risico van eiser te komen.
6. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Uitspraak van 8 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3544.
2.Laissez-passer.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Uitspraken van 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210 en 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85.