Eiseres, van Iraanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van haar afvalligheid van de islam. Verweerder wees haar aanvraag af omdat hij haar geloofwaardigheid onvoldoende achtte, met name over haar beweegredenen, het proces van afvalligheid en haar uitingen hieromtrent.
Na een uitgebreid onderzoek, meerdere zittingen en aanvullende motiveringen, oordeelde de rechtbank dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevatte en vernietigde het besluit. De rechtbank stelde vast dat verweerder het toetsingskader van de nieuwe werkinstructie 2022/3 toepaste en dat eiseres onvoldoende inzicht gaf in haar innerlijke belevingswereld en motieven.
De rechtbank vond dat eiseres onvoldoende concreet kon verklaren over haar proces van afvalligheid en haar activiteiten en uitingen onvoldoende onderbouwde. Ook achtte zij het niet geloofwaardig dat eiseres een risico loopt bij terugkeer naar Iran. De rechtbank liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand en veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten.