ECLI:NL:RVS:2021:1085
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf in nareisprocedure
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 21 oktober 2016 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor een meerderjarig kind in het kader van nareis afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de overwegingen.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat hij het juiste toetsingskader had toegepast en dat het zelfstandig wonen van de vreemdeling een geldige contra-indicatie was voor het voortbestaan van de gezinsband. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het beleid van de staatssecretaris ook onder het oude beleid omstandigheden na binnenkomst van de referent in Nederland mocht meewegen, en dat er geen sprake was van een aanscherping.
Verder werd geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat het zelfstandig wonen van de vreemdeling een bewuste keuze was en niet noodgedwongen vanwege haar ernstige angststoornis en fobie voor de zee. De rechtbank had terecht overwogen dat deze contra-indicatie onvoldoende was om de gezinsband te verbreken.
De overige contra-indicaties moeten in een nieuw besluit opnieuw worden beoordeeld en gemotiveerd. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €534,00.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.