ECLI:NL:RBDHA:2024:10143

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juni 2024
Publicatiedatum
2 juli 2024
Zaaknummer
NL24.18322
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EU) Nr. 604/2013Het Handvest van de grondrechten van de Europese UnieVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArtikel 3 EVRMArtikel 4 EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Polen

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 4 december 2023 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam de aanvraag niet in behandeling omdat Polen op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Polen stemde in met de overnameverzoek van Nederland.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Polen niet langer geldt vanwege rapporten en jurisprudentie die wijzen op systematische tekortkomingen in de Poolse asielprocedure en opvang, en dat hij risico loopt op detentie en onmenselijke behandeling bij terugkeer. Tevens stelde eiser dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat in het voornemen niet op zijn individuele situatie werd ingegaan.

De rechtbank oordeelde dat het vermoeden van correcte behandeling in Polen niet is weerlegd. De aangevoerde rapporten en jurisprudentie zijn onvoldoende concreet om een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro-Handvest aan te nemen. Ook is niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer in detentie zal worden geplaatst. Ten aanzien van de zorgvuldigheid van het besluit is geoordeeld dat het voornemen voldoende motivering bevatte en dat in het bestreden besluit de individuele situatie van eiser is meegewogen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen en dat eiser mag worden overgedragen aan Polen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser mag worden overgedragen aan Polen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18322

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag.
2. Met het besluit van 25 april 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Polen daarvoor verantwoordelijk is.
3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
4. De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser en de staatssecretaris hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

5. Eiser is geboren op [datum] 2002 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij is op basis van een (nu nog steeds) geldig visum voor Polen de Europese Unie ingereisd. Hij heeft op 4 december 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Nederland heeft op 21 februari 2024 bij de Poolse autoriteiten een verzoek om overname gedaan op grond van de Dublinverordening. [1] Polen heeft hiermee op 11 maart 2024 ingestemd.
6. Eiser voert aan dat ten aanzien van Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Door overdracht aan Polen zal er een situatie ontstaan in strijd met artikel 4 van Pro het EU Handvest, [2] of artikel 3 van Pro het EVRM. [3] Hij verwijst in dit verband naar het AIDA rapport Polen over 2022, [4] een rapport van de Poolse ombudsman uit maart 2021, een uitspraak van de administratieve rechtbank in Hannover (Duitsland) van 7 oktober 2022 waarnaar wordt verwezen in het AIDA-rapport, en het jaarrapport van Amnesty International, [5] dat verwijst naar een door ECRE opgesteld rapport over de toegang tot asiel en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in Polen. [6] Eiser riskeert bij terugkeer in detentie te worden geplaatst. Van eiser kan bovendien niet verlangd worden dat hij bij een slechte behandeling door de Poolse autoriteiten een klacht indient tegen diezelfde autoriteiten.
7. Eiser voert ook aan dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen. In het voornemen is niet ingegaan op de individuele verklaringen van eiser. Pas in het bestreden besluit maakt verweerder duidelijk op grond van welke individuele afwegingen de asielaanvraag van eiser niet in behandeling is genomen. Zodoende ontneemt verweerder aan eiser een instantie om zich inhoudelijk te verzetten tegen het bestreden besluit en verplicht hem om in beroep te gaan om zijn inhoudelijke bezwaren kenbaar te kunnen maken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. De rechtbank stelt voorop dat de staatssecretaris mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. [7] Dit vermoeden is weerlegbaar. Voor zover de vreemdeling daarover verklaringen heeft afgelegd of stukken heeft overgelegd, moet de beoordeling gaan over de vraag of ernstige vrees bestaat dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in de aangezochte lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest te leiden. [8] Niet elke schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten. Een lidstaat kan in het kader van de Dublinverordening voor een andere lidstaat alleen dan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan als bij overdracht aan die lidstaat een reëel risico bestaat op schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest.
9. Hoewel uit de door eiser aangehaalde openbare informatie blijkt dat er gebreken zijn in de asielprocedure in Polen, is dat onvoldoende om aan te nemen dat aan de drempel zoals bedoeld in het arrest Jawo wordt toegekomen. Om af te wijken van het principe van het interstatelijk vertrouwensbeginsel moet het risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest bij of na overdracht worden beoordeeld. In deze zaak is niet aannemelijk gemaakt dat eiser dergelijk risico loopt. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Polen in detentie geplaatst zal worden. De enkele verwijzing van eiser naar uitspraken van Duitse rechters en het AIDA-rapport is, zonder nadere concretisering hoe deze uitspraken eiser persoonlijk betreffen, onvoldoende om dit aannemelijk te maken. Daarnaast is uit eerdere rapporten en landeninformatie gebleken dat er soms een risico bestaat op detentie, maar daaruit volgt nog niet dat er sprake is van systematische detentie van Dublinterugkeerders. Dit blijkt ook niet uit het door eiser aangehaalde AIDA-rapport en de uitspraken van Duitse rechters.
10. Ook overigens heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij of na overdracht het risico loopt behandeld te worden op een wijze die strijdt met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Eiser is met een visum Polen binnengereisd en heeft daar naar eigen zeggen een week verbleven en heeft persoonlijk geen problemen ondervonden. Verder is niet gebleken dat de Poolse autoriteiten onvoldoende bescherming bieden aan Dublinclaimanten na overdracht. Door de expliciete aanvaarding van het Dublinverzoek heeft Polen zich er bovendien aan verbonden eisers asielaanvraag volgens de Europese en internationale normen die daarvoor gelden, te beoordelen.
Standaard voornemen
11. Voor de beoordeling van de grond dat de staatssecretaris het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid door in de voornemenprocedure te volstaan met een standaard voornemen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling [9] van 23 november 2023. [10] De Afdeling heeft bepaald dat de staatssecretaris in het voornemen in elk geval alle voor zijn standpunt dragende overwegingen moet opnemen. Het is dan niet onzorgvuldig als de staatssecretaris vervolgens pas in het bestreden besluit gedetailleerd ingaat op hetgeen door eiser in zijn persoonlijke verklaringen en eventuele zienswijze naar voren heeft gebracht.
12. In de zaak van eiser heeft de staatssecretaris in het voornemen van 20 maart 2024 uiteen gezet waarom hij Polen verantwoordelijk houdt voor de asielaanvraag van eiser, dat hij in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding ziet om niet uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen en dat hij geen aanleiding ziet om de asielaanvraag op grond van zijn discretionaire bevoegdheid bij zich te houden. Ook in het bestreden besluit zijn dit de dragende overwegingen. Omdat in het bestreden besluit eisers verklaringen over zijn individuele situatie wel zijn meegewogen oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Polen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 juni 2024 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
2.Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
3.Verdrag tot bescherming van de rechter van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Rapport van 19 mei 2023, in het bijzonder pagina 37 en volgende.
5.Jaarrapport 2022/23, verschenen op 27 maart 2023.
6.European Council on Refugees and Exiles, rapport van 7 april 2023.
8.Zie het arrest van het EU Hof van Justitie in de zaak Jawo, ECLI:EU:C:2019:218.
9.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.