ECLI:NL:RBDHA:2024:10839

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juli 2024
Publicatiedatum
12 juli 2024
Zaaknummer
NL24.19520
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag Tadzjiekse vreemdeling niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing

Eiser, een Tadzjiekse nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 18 april 2024 een herhaalde asielaanvraag in nadat zijn eerdere aanvraag in 2021 was afgewezen en in rechte was bestendigd.

Ter onderbouwing overlegde hij een uitspraak van de Tadzjiekse rechter waarin zijn zoon valselijk zou zijn veroordeeld, en vreesde hij bij terugkeer mishandeling en zelfs moord. Verweerder verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van nieuwe feiten die als nova konden gelden.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de situatie van zijn zoon relevant was voor zijn eigen asielrelaas en dat hij niet had voldaan aan zijn verplichting om relevante documenten volledig te vertalen en toe te lichten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19520

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1962 en de Tadzjiekse nationaliteit te hebben. Op 26 februari 2020 heeft eiser een eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 16 juli 2021 afgewezen. Het daartegen gerichte (hoger) beroep van eiser is ongegrond verklaard, waarmee dit besluit in rechte is vast komen te staan. [2]
2. Op 18 april 2024 heeft eiser de huidige asielaanvraag ingediend. Hiertoe heeft hij een uitspraak van de Tadzjiekse rechter overgelegd waarin zijn zoon vals zou zijn veroordeeld voor autodiefstal. Eiser vreest bij terugkeer naar Tadzjikistan dat hem hetzelfde lot als zijn zoon staat te wachten en hij zal worden opgepakt, mishandeld en in de gevangenis zal worden gegooid. Verder vreest eiser dat hij bij terugkeer vermoord zal worden.
3. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag slechts een afschrift van de uitspraak overgelegd, waarvan ook maar een deel is vertaald. Verder is niet gebleken dat de veroordeling van zijn zoon een voorbode is dat eiser bij terugkeer naar Tadzjikistan hetzelfde staat te wachten.
4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen nu de ingediende correcties en aanvullingen op het gehoor opvolgende aanvraag niet zijn betrokken bij de besluitvorming. Verder stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat de overgelegde uitspraak niet kan dienen als onderbouwing van eisers asielrelaas, omdat het digitaal is overgelegd. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest M.A. tegen Zwitserland. [3] Eiser is gelet op de samenwerkingsplicht niet gehouden om (volledige) vertalingen aan te leveren. Tot slot heeft verweerder ten onrechte niet onderkend dat de overgelegde uitspraak waarmee eisers zoon valselijk is veroordeeld nieuw licht werpt op het asielrelaas. Deze veroordeling komt namelijk overeen met eisers asielrelaas.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Correcties en aanvullingen
5. Hoewel eiser terecht opmerkt dat in de inleiding van het bestreden besluit is opgenomen dat eiser geen correcties en aanvullingen heeft ingediend, volgt uit de motivering van het bestreden besluit dat deze wel zijn betrokken. De rechtbank neemt dan ook aan dat dit een kennelijke verschrijving betreft, zodat niet geoordeeld kan worden dat het bestreden besluit om die reden onzorgvuldig tot stand is gekomen.
Uitspraak zoon
6. Niet in geschil is dat eiser zijn asielrelaas kan onderbouwen met kopieën, zodat het beroep op het arrest M.A. tegen Zwitserland geen doel treft. Verder is niet gebleken dat verweerder de samenwerkingsplicht heeft geschonden. Verweerder heeft voldoende actief samengewerkt met eiser door hem in staat te stellen zijn asielmotieven in het gehoor opvolgende aanvraag opnieuw naar voren te brengen, een deugdelijk gemotiveerd voornemen uit te brengen, en eiser een zienswijze uit te laten brengen. [4] Het is aan eiser om hetgeen hij relevant acht voor zijn asielrelaas zelf naar voren te brengen en te onderbouwen met documenten. Dit betekent dan ook dat het op zijn weg lag om de overgelegde uitspraak volledig te laten vertalen en deze vertaling over te leggen.
7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser met de overgelegde uitspraak en zijn verklaringen niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Tadzjikistan de gestelde problemen zal ondervinden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat uit de vertaalde delen van de uitspraak en de verklaringen van eiser onvoldoende is gebleken dat de veroordeling van eisers zoon verband houdt met eisers asielrelaas. Eiser verklaart dat hij met de uitspraak wil aantonen dat als hij wordt teruggestuurd, hetzelfde met hem kan gebeuren of misschien wel erger. [5] Hij onderbouwt echter niet waarop dit is gebaseerd. Ook laat eiser na om meer informatie op te vragen bij de familie of advocaat in Tadzjikistan over de gevolgen van de uitspraak terwijl dit wel van hem mag worden verwacht. Verweerder stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat de veroordeling van eisers zoon en zijn gestelde problemen zijn gebaseerd op vermoedens en deze verder niet zijn onderbouwd.
Conclusie
8. De asielaanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 juli 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Rb Den Haag (zittingsplaats Arnhem) 1 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2745 en ABRvS 3 mei 2024, 202402023/2/V2 (niet gepubliceerd).
3.EHRM 18 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD005258913.
4.ABRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3833 en 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:377.
5.Rapport gehoor opvolgende aanvraag van 25 april 2024, p. 7 van 9.