ECLI:NL:RBDHA:2024:11297
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M. Emaus-Visschers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië volgens Dublinverordening
De rechtbank Den Haag heeft op 15 juli 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister beriep zich op de Dublinverordening, die bepaalt dat de lidstaat verantwoordelijk is waar de asielaanvraag eerst is ingediend, in dit geval Kroatië.
Eiser voerde aan dat hij in Kroatië geen asielaanvraag had ingediend, slechts vingerafdrukken had afgegeven, en dat Kroatië haar verantwoordelijkheid niet erkende. Ook stelde hij dat de minister onvoldoende onderzoek had verricht naar de situatie in Kroatië, waar volgens eiser sprake is van pushbacks en schendingen van mensenrechten. Tevens stelde hij dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is en dat toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, wegens onevenredige hardheid, op zijn situatie van toepassing zou moeten zijn.
De rechtbank verwierp deze bezwaren. Uit Eurodac-gegevens bleek dat de asielaanvraag in Kroatië was ingediend. Het fictieve akkoord van Kroatië en het expliciete akkoord bevestigden de verantwoordelijkheid van Kroatië. De minister had voldoende onderzoek gedaan en mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De persoonlijke omstandigheden van eiser boden geen grond voor toepassing van artikel 17. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het besluit van de minister in stand bleef en eiser aan Kroatië mag worden overgedragen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is.