ECLI:NL:RBDHA:2024:11988
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en verzoek schadevergoeding in vreemdelingenrecht
Eiser is sinds 25 februari 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 26 juli 2024 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
De rechtbank heeft eerder viermaal de rechtmatigheid van de maatregel getoetst en concludeerde dat deze tot 21 juni 2024 rechtmatig was. De beoordeling richt zich nu op de periode daarna. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend is in het uitzettingsproces, mede omdat hij bijna zes maanden gedetineerd is en er geen presentatie op de ambassade gepland is.
De rechtbank oordeelt dat de minister wel degelijk voldoende voortvarend handelt. Er is een rappellering geweest en een vertrekgesprek gevoerd. De wijziging in de werkwijze van de Marokkaanse autoriteiten maakt een presentatie niet altijd noodzakelijk. De rechtbank wijst het standpunt van eiser af dat er ook een traject naar Libië had moeten worden opgestart, omdat de minister op juiste gronden een traject naar Marokko is gestart en eiser onvoldoende bewijs levert voor zijn Libische nationaliteit.
Er is geen reden om aan te nemen dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser draagt onvoldoende bij aan zijn medewerking. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.