De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beoordeeld. Deze maatregel was opgelegd op 21 februari 2024 en eerder door de rechtbank getoetst bij uitspraken van 12 maart, 29 mei en 1 juli 2024. De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en de zaak zonder zitting behandeld.
Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder dat de gronden de maatregel niet konden dragen, dat de minister onvoldoende voortvarend handelde, dat een lichter middel had moeten worden toegepast en dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije bestond. De rechtbank oordeelde dat geen van deze gronden onderbouwd was en dat de minister maandelijks vertrekgesprekken voerde en regelmatig rappelleerde op de laissez-passer aanvraag.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de maatregel rechtmatig is en dat er zicht op uitzetting bestaat. De ambtshalve toetsing bevestigde dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden is voldaan. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.