ECLI:NL:RBDHA:2024:8234
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 21 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Na eerdere toetsing van deze maatregel op 12 maart 2024, beoordeelt de rechtbank nu alleen de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring sinds 5 maart 2024.
Eiser stelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelde, er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat hij detentieongeschikt zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld door meerdere schriftelijke rappels en vertrekgesprekken. Daarnaast is er volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wel zicht op uitzetting naar Algerije, mede omdat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn terugkeer.
Wat betreft detentiegeschiktheid concludeert de rechtbank dat eiser toegang heeft tot adequate medische zorg in het detentiecentrum, zoals blijkt uit contact met de medische dienst en een artsadvies. De rechtbank ziet geen grond om de rechtmatigheid van de maatregel te betwijfelen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.