Eiser diende op 12 februari 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelde eiser de staatssecretaris op 31 augustus 2022 in gebreke en stelde op 15 september 2022 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De staatssecretaris wees de aanvraag op 23 februari 2023 af, maar de rechtbank verklaarde dit besluit op 19 april 2023 gegrond en gaf de staatssecretaris een termijn van zestien weken om een nieuw besluit te nemen.
Eiser stelde op 11 oktober 2023 opnieuw beroep in wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris de opgelegde termijn niet heeft nageleefd en verklaart het beroep gegrond. De rechtbank legt een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €7.500, en stelt een nieuwe beslistermijn van acht weken vast.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €437,50. De uitspraak benadrukt de noodzaak van tijdige besluitvorming en de mogelijkheid van beroep tegen het niet tijdig beslissen, met toepassing van relevante artikelen uit de Awb en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak.