Eiseres heeft op 4 augustus 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden, verlengd met negen maanden, op de aanvraag beslist. Eiseres stelde verweerder op 10 november 2023 in gebreke en diende daarna beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. Gezien het ontbreken van een gehoord worden van eiseres over haar asielmotieven, legt de rechtbank een beslistermijn van zestien weken op, verdeeld in twee periodes van acht weken volgens het 8+8-wekenmodel. Verweerder moet binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor afnemen en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
Hoewel de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND bepaalt dat geen bestuurlijke dwangsommen verschuldigd zijn bij te late beslissingen op asielaanvragen, oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat deze bepaling onverbindend is. Daarom legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €7.500.
De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en bevestigt dat de zaak samenhangt met die van de echtgenoot van eiseres, waardoor de proceskostenvergoeding beperkt blijft tot het bedrag dat in één zaak wordt toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier I. Abdilahi op 23 april 2024.