Eiser diende op 12 januari 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden en een geldige ingebrekestelling op 19 april 2024, stelde eiser op 8 mei 2024 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister.
De rechtbank constateert dat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en dat het beroep gegrond is. De rechtbank wijkt af van het gebruikelijke 8+8-wekenmodel en stelt een uiterste beslistermijn vast van 7 december 2024, rekening houdend met de maximale termijn van 21 maanden volgens de Procedurerichtlijn.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt. Tevens worden de proceskosten van eiser vastgesteld op €437,50. De minister wordt opgedragen uiterlijk op genoemde datum alsnog een besluit te nemen.