Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder had de beslistermijn verlengd met negen maanden, maar heeft niet binnen deze termijn beslist. Eiser stelde verweerder in gebreke en diende daarna beroep in, dat de rechtbank kennelijk gegrond verklaart.
De rechtbank legt een termijn van zestien weken op waarbinnen verweerder eerst een nader gehoor moet afnemen en vervolgens een besluit moet nemen. Dit is gebaseerd op het 8+8-wekenmodel dat door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is bevestigd. Hoewel de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND bepaalt dat geen dwangsom hoeft te worden betaald bij te late beslissingen op asielaanvragen, oordeelde de ABRvS dat dit onverbindend is, waardoor de rechtbank alsnog een dwangsom oplegt.
De dwangsom bedraagt €100 per dag met een maximum van €7.500. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €437,50 vanwege de inschakeling van professionele rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier T. Rommes op 17 juli 2024.