ECLI:NL:RBDHA:2024:13393
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens schending recht op rechtsbijstand voorafgaand aan inbewaringstelling
Eiser werd op 22 juni 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en vorderde tevens schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 3 juli 2024, waarbij eiser niet aanwezig was vanwege geplande uitzetting, maar werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De kern van het geschil betrof de schending van het recht op rechtsbijstand tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. De rechtbank stelde vast dat eiser herhaaldelijk had aangegeven een advocaat te willen bij het gehoor en dat het beleid voorschrijft dat het gehoor pas na twee uur zonder advocaat mag plaatsvinden. De ambtenaar van de AVIM begon echter eerder met het gehoor zonder aanwezigheid van de advocaat, terwijl deze iets na 14.00 uur aanwezig was.
Daarnaast bleek uit het proces-verbaal dat eiser niet adequaat was geïnformeerd over zijn recht om het gehoor uit te stellen tot de komst van zijn advocaat. Hierdoor kon aan zijn toestemming om zonder advocaat te worden gehoord geen waarde worden gehecht. De rechtbank oordeelde dat hierdoor het recht op rechtsbijstand was geschonden, wat een ernstig gebrek vormt dat de bewaring onrechtmatig maakt.
De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het belang van verweerder bij bewaring niet zeer zwaarwegend was en dat de onrechtmatigheid van de bewaring zwaarder woog. De maatregel werd daarom met onmiddellijke ingang opgeheven. Tevens werd aan eiser een schadevergoeding van €1.230,- toegekend voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en werden proceskosten van €1.750,- aan eiser toegekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt onmiddellijke opheffing van de bewaring en kent schadevergoeding toe wegens schending van het recht op rechtsbijstand.