ECLI:NL:RBDHA:2024:13846

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 augustus 2024
Publicatiedatum
30 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.24395
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMAwb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanvullend terugkeerbesluit en inreisverbod aan vreemdeling met Algerijnse nationaliteit

Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, is bij besluit van 18 april 2013 een terugkeerbesluit opgelegd met een inreisverbod van twee jaar. Dit besluit is in 2013 door de rechtbank Roermond bevestigd. In 2017 is een nieuw terugkeerbesluit opgelegd met een tienjarig inreisverbod vanwege een gevaar voor de openbare orde.

Het bestreden besluit van 15 mei 2024 betreft een aanvullend terugkeerbesluit waarin de minister aangeeft dat de terugkeerinspanningen zich richten op Algerije. Eiser stelde dat het besluit onvoldoende specifiek is en dat zijn familierelaties onvoldoende zijn onderzocht, met name zijn kind in België.

De rechtbank oordeelt dat het aanvullend terugkeerbesluit voldoet aan de eisen uit jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak. Eiser is gehoord en heeft zijn zienswijze kunnen geven. Er zijn geen aanwijzingen dat hij een gezinsleven onderhoudt in België. De minister hoeft niet te toetsen aan artikel 8 EVRM Pro bij het terugkeerbesluit. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.24395

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.M.I. Eleveld),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Procesverloop

1. Bij bestreden besluit van 15 mei 2024 heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en diens gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen op de zitting.

Overwegingen

Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Bij besluit van 18 april 2013 heeft de minister een terugkeerbesluit opgelegd dat ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar bevat. Hierin is aan eiser de verplichting opgelegd om meteen terug te keren naar zijn land van herkomst, dan wel een ander land buiten de Europese Unie waar zijn toelating is gewaarborgd. Het daartegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, bij uitspraak van 29 oktober 2013 ongegrond verklaard. [1]
3. Op 12 juni 2017 heeft de minister opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en aan eiser opgedragen om Nederland en de Europese Unie [2] direct te verlaten, omdat hij een daadwerkelijk en actueel gevaar is voor de openbare orde. Daarbij is aan eiser ook een zwaar inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar.
4. Bij het bestreden besluit heeft de minister het terugkeerbesluit van 12 juni 2017 aangevuld met de mededeling dat de terugkeerinspanningen van de Nederlandse overheid zich zullen richten op Algerije.
Gronden van beroep
5. Namens eiser is in de gronden van beroep het volgende aangevoerd. In het oorspronkelijke terugkeerbesluit van 11 juni 2017 [
de rechtbank begrijpt:12 juni 2017] staat dat eiser de verplichting heeft om terug te keren naar zijn land van herkomst dan wel een ander land buiten de Europese Unie waar zijn toelating is gewaarborgd. De laatste zinsnede is onvoldoende specifiek en in het aanvullend terugkeerbesluit zou deze dan moeten zijn benoemd als zijnde niet meer van toepassing. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Verder heeft verweerder geen nader onderzoek gedaan dan wel onvoldoende vragen gesteld aan eiser met betrekking tot zijn familierelaties. Eiser heeft tijdens het gehoor aangegeven dat hij in België een kind heeft, maar is er ten onrechte niet op gewezen dat dit punt van belang kan zijn voor de vraag of het terugkeerbesluit van 12 juni 2017 rechtsgeldig is opgelegd en of het opleggen hiervan daarom opportuun is.
Beoordeling door de rechtbank
6. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de minister ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat het bestreden besluit is gekoppeld aan het terugkeerbesluit dat op 18 april 2013 is opgelegd, omdat niet is gebleken dat eiser in de tussentijd de Europese Unie heeft verlaten. Ook heeft de minister toegelicht dat in het bestreden besluit enkel is verwezen naar het eerder opgelegde - en nog steeds geldende - inreisverbod van tien jaar en dat niet opnieuw een inreisverbod is opgelegd.
7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 2 juni 2021 [3] overwogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 14 mei 2020 [4] en de weergave daarvan door het Hof in zijn arrest van 24 februari 2021 [5] , volgt dat in een terugkeerbesluit niet alleen moet worden vermeld dat het verblijf van een vreemdeling onrechtmatig is of wordt en dat hij moet terugkeren, maar ook naar welk land de vreemdeling moet terugkeren. Ook heeft de Afdeling geoordeeld dat de uitleg van het Hof niet uitsluit dat in een terugkeerbesluit meer landen van terugkeer worden genoemd. De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak van 2 juni 2021 ook overwogen dat de minister het ten onrechte niet vermelden van een land van terugkeer in een eerder besluit kan herstellen door alsnog een terugkeerbesluit te nemen waarin hij wel vermeldt naar welk land de vreemdeling moet terugkeren.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het aanvullend terugkeerbesluit terecht en voldoende gemotiveerd aan eiser is opgelegd. Bij besluit van 18 april 2013 is aan eiser al een terugkeerbesluit opgelegd. Deze staat in rechte vast. Met het aanvullend terugkeerbesluit wordt voldaan aan de vereisten zoals die voortvloeien uit de hiervoor onder 7. genoemde arresten. Met het opnemen van Algerije als land waarop de inspanningen tot terugkeer zijn gericht, is het voor eiser voldoende kenbaar naar welk land hij wordt geacht terug te keren of zal worden verwijderd als het op gedwongen terugkeer aankomt. Uit de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak volgt niet dat de minister in het aanvullend terugkeerbesluit ook dient te vermelden dat de in het eerdere opgelegde terugkeerbesluit opgenomen zinsnede “
dat eiser de verplichting heeft om terug te keren naar zijn land van herkomst dan wel een ander land buiten de EU waar zijn toelating is gewaarborgd” niet langer van toepassing is. De hiertegen gerichte beroepsgrond slaagt niet.
8. In de uitspraak van 25 september 2023 [6] heeft de Afdeling geoordeeld dat het de verantwoordelijkheid van de minister is om het aanvullend terugkeerbesluit zorgvuldig voor te bereiden en dat hij daarvoor de nodige kennis moet vergaren over de relevante feiten en omstandigheden. Daarbij moet hij ook nagaan of sprake is van gewijzigde omstandigheden die maken dat niet langer kan worden uitgegaan van het eerdere besluit. Dit maakt dat de minister de vreemdeling voor het nemen van een aanvullend terugkeerbesluit in beginsel niet alleen moet horen over de voorgenomen aanwijzing van een land van terugkeer, maar ook over de vraag of er sprake is van gewijzigde omstandigheden die relevant zijn voor de (on)rechtmatigheid van het verblijf van de vreemdeling. De vreemdeling kan dan tijdens dat gehoor ook hierover zijn zienwijze naar voren brengen. Op die manier heeft de vreemdeling de mogelijkheid om alle feiten en omstandigheden aan te voeren die relevant zijn voor zijn situatie. Dit stelt de minister vervolgens in staat om bij het nemen van een aanvullend terugkeerbesluit rekening te houden met alle relevante elementen.
8.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 15 mei 2024 is gehoord over het (op te leggen) aanvullende terugkeerbesluit en hij tijdens het gehoor de gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die maken dat niet langer van het terugkeerbesluit van 18 april 2013 kan worden uitgegaan. De beroepsgrond dat de minister geen nader onderzoek heeft gedaan en onvoldoende vragen heeft gesteld over eisers familierelaties, wordt niet gevolgd. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat eiser tijdens het gehoor weliswaar heeft verklaard dat hij in België samen was met een vrouw en kind, maar ook heeft aangegeven dat hij niet weet waar zij zich bevinden. De rechtbank kan de minister in het op de zitting naar voren gebrachte standpunt volgen dat er gelet daarop geen indicaties zijn dat eiser invulling geeft aan een gezinsleven met een vrouw of kind. Voor zover namens eiser een beroep is gedaan op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), oordeelt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat de minister bij het nemen van een (aanvullend) terugkeerbesluit niet hoeft te toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. [7] Indien eiser meent in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning, dan moet hij dat dat laten beoordelen in een procedure op basis van een aanvraag van die strekking.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt.

Voetnoten

1.AWB 13/11623.
2.De Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland inbegrepen.
4.ECLI:EU:C:2020:367, FMS e.a., r.o. 115.
5.ECLI:EU:C:2021:127, M. e.a., r.o. 39.
7.Afdelingsuitspraak van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2918.