ECLI:NL:RBDHA:2024:14166
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens vermeende zwangerschapdiscriminatie bij proeftijdontslag
De zaak betreft een werknemer die tijdens haar proeftijd bij een werkgever is ontslagen nadat zij haar zwangerschap had gemeld. De werknemer stelde dat dit ontslag een verboden onderscheid op grond van zwangerschap vormde, in strijd met artikel 7:646 BW Pro, en vorderde onder meer een billijke vergoeding en schadevergoeding.
De werkgever voerde verweer dat het ontslag gerechtvaardigd was vanwege twijfels over de prestaties en het gedrag van de werknemer tijdens de proeftijd. De kantonrechter stelde vast dat er een geldige proeftijd was en dat ontslag tijdens die periode mogelijk is mits niet op discriminerende gronden.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer onvoldoende feiten had gesteld om een vermoeden van discriminatie te rechtvaardigen. De werkgever had aannemelijk gemaakt dat het ontslag niet samenhing met de zwangerschap, onder meer doordat een aangepast contract was aangeboden en een inwerkprogramma was opgesteld. Ook waren er verklaringen van medewerkers over onvoldoende inzet en prestaties.
Daarom werd het verzoek afgewezen, en werd de werknemer veroordeeld in de proceskosten. Er was geen sprake van een schending van het verbod op zwangerschapdiscriminatie en geen grond voor vergoeding van schade of billijke vergoeding.
Uitkomst: Verzoek tot vergoeding wegens zwangerschapdiscriminatie bij proeftijdontslag wordt afgewezen.