Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Procesverloop
Overwegingen
42. De rechtbank zal bepalen dat de ingangsdatum van de te verlenen asielvergunning de datum van de eerste asielaanvraag van eiser in Nederland is. Omdat eiser zijn seksuele geaardheid aan zijn asielaanvraag ten grondslag legt en deze aanvraag dient te worden ingewilligd, is niet relevant dat eiser dit asielmotief niet in de eerste aanvraag heeft benoemd. De seksuele geaardheid van eiser is immers niet eerst ontstaan bij de datum van de tweede asielaanvraag en aan eiser mag niet worden tegengeworpen dat hij niet eerder over zijn geaardheid heeft verklaard. De wet voorziet niet in mogelijkheden een eerdere ingangsdatum voor vergunningverlening te benoemen dan de datum van de asielaanvraag. Verweerder dient derhalve een verblijfsrecht toe te kennen met ingang van 13 maart 2019, zijnde de datum van het eerste verzoek om internationale bescherming door eiser. De rechtbank verwijst hierbij tevens naar de uitspraak van de rechtbank, deze zittingsplaats, van 4 februari 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:904) die door de Afdeling is bevestigd met een zogenoemde “artikel 91.2 Vw-motivering”.
vanwege de veranderlijke en onzekere situatie het thans niet mogelijk is om te concluderen dat er bij terugkeer naar Afghanistan geen sprake zal zijn van vluchtelingrechtelijke vervolging of ernstige schade.”
25. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder bij de beoordeling van zijn relaas dat hij homoseksueel is geen rekening heeft gehouden met zijn leeftijd. Deze beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft enkel overwogen dat de door eiser opgegeven leeftijd niet aannemelijk is gemaakt en aan eiser daarom de geboortedatum [geboortedag] 1998 is toegekend.
26. Ten aanzien van de leeftijd heeft te gelden dat ook indien eiser zou zijn geboren op [geboortedag] 1998, verweerder wel geloofwaardig acht dat eiser minderjarig was tijdens het gestelde ontdekken van zijn geaardheid en zijn relatie met [naam] en de daaruit voortvloeiende problemen.
27. Onder 3.2.2 van WI 2014/10 is vermeld dat bij de geloofwaardigheidsbeoordeling rekening moet worden gehouden met “verschonende omstandigheden” die een bepaald gebrek in de geloofwaardigheid zouden kunnen verklaren. Hierbij zijn “leeftijd” en “schaamte” expliciet genoemd als voorbeelden van dergelijke omstandigheden. Verweerder heeft in het bestreden besluit op geen enkele wijze aan deze passage in zijn werkinstructie gerefereerd en evenmin in zijn besluit bij het formuleren van zijn tegenwerpingen –kenbaar- betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij in zijn eerste procedure niet over zijn geaardheid durfde te verklaren vanwege (onder meer) schaamte. Verweerder mag uitgaan, gelet op deze eerste procedure, van de door hem aan eiser toegekende geboortedatum, maar ook dan heeft te gelden dat eiser minderjarig was ten tijde van de gestelde gebeurtenissen. Weliswaar voorziet WI 2014/10 in instructies hoe moet worden omgegaan met de omstandigheid dat een vreemdeling minderjarig is ten tijde van de aanvraag en het gehoor hier te lande. Verweerder heeft echter de handelwijze van eiser ten tijde van het gestelde relaas beoordeeld en die gedragingen die eiser dus als minderjarige heeft verricht als ongeloofwaardig beoordeeld en ook hierbij moet verweerder –kenbaar- de minderjarigheid betrekken.
28. De verklaringen van eiser hebben betrekking op het ontdekken van seksuele gevoelens en het aangaan van een eerste seksuele relatie. Op geen enkele wijze heeft verweerder –kenbaar- betrokken dat eiser minderjarig was bij het doormaken van deze gestelde ontwikkeling.
29. Verweerder heeft, daargelaten dat hij bij de geloofwaardigheidsbeoordeling niet conform zijn eigen werkinstructie heeft gehandeld, bij de beoordeling van het relaas op geen enkele wijze gemotiveerd dat hij over kennis beschikt over het gedrag en de handelwijze van minderjarigen die ontdekken dat ze homoseksueel zijn en opgroeien in een omgeving waar het uiten van deze geaardheid niet wordt geaccepteerd. Verweerder gaat hierbij uit van vooronderstellingen dat een minderjarige in de leeftijd van 13-15 jaar zich laat leiden door ratio in plaats van gevoelens en een risico-taxatie maakt bij de vraag waar en wanneer hij seksuele handelingen verricht en hoe hij uit dat hij gevoelens heeft die verderstrekkend zijn dan vriendschap. Eiser heeft ook hier in de gronden van beroep terecht op gewezen en deze grond slaagt dan ook.
30. De rechtbank overweegt verder dat eiser over zijn geaardheid, zijn relatie en problemen consistent heeft verklaard. De rode draad van zijn verklaringen is dat hij vanaf zijn zevende jaar veel contact met een bepaalde klasgenoot had. Eiser heeft uitgelegd dat dit kwam doordat hij werd gepest en uitgescholden omdat hij in de ogen van zijn klasgenoten “vrouwelijk” zou zijn. Er was één klasgenoot die wel met hem om wilde gaan en hem –als enige- ook bezocht toen hij ziek was. Eiser legt met deze verklaringen uit hoe hij met deze jongen bevriend raakte. Eiser heeft vervolgens verklaard dat ze steeds vaker met zijn tweeën omgingen omdat ze allebei buiten de groep vielen. Eiser beschrijft hiermee dat de vriendschap hechter werd omdat ze elkaar dagelijks zagen. Eiser heeft ook verklaard dat op enig moment zijn gevoelens overgingen van vriendschap naar een verliefdheid, dat [naam] dat ook had en dat ze beiden dit op enig moment aan elkaar kenbaar hebben gemaakt.
31. De verklaringen van eiser over zijn seksuele ontwikkeling en de ontdekking van zijn seksuele identiteit dient verweerder opnieuw te beoordelen waarbij het weinig relevant is wat de herkomst is. Verweerder kan bij de gestelde relatie en de verklaringen van eiser waar hij met [naam] gesprekken voerde en seksuele handelingen verrichtte betrekken dat de herkomst niet aannemelijk is. Verweerder heeft echter, ook in deze procedure, niet vastgesteld dat deze verklaringen in strijd met de waarheid zijn. Bovendien kan verweerder de verklaringen over de gestelde relatie ook beoordelen voor zover eiser heeft beschreven hoe de ontwikkeling van een vriendschap naar een liefdesrelatie en seksuele relatie is verlopen.
32. Verweerder heeft tegengeworpen dat eiser oppervlakkig en in algemeenheden heeft verklaard over zijn gevoelens voor [naam] en zijn relatie. Gemachtigde van eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder de verklaringen van eiser op dit punt heeft opgenomen in het voornemen maar dat hieruit niet valt op te maken waarom deze verklaringen als niet concreet worden gekwalificeerd omdat dit niet nader is gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt ook.
33. Verweerder heeft bij de overweging dat het niet geloofwaardig is dat eiser het risico op betrapping zou nemen bij zijn keuze om seksueel actief te zijn met [naam] niet betrokken dat eiser destijds minderjarig was. Eiser wordt bovendien gevolgd in zijn argument dat verweerder bij deze tegenwerping ook niet heeft betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij en [naam] deze relatie meerdere jaren verborgen hebben weten te houden en zij steeds voorzichtig zijn geweest. Deze beroepsgrond slaagt ook.
34. Verweerder heeft in het voornemen de verklaringen van eiser over of hij of [naam] als eerste aangaf verderstrekkende gevoelens te hebben als niet consistent benoemd. Ter zitting van 6 oktober 2020 heeft verweerder aangegeven dat deze inconsistentie niet relevant is. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder ten aanzien van de benoemde elementen geen enkele tegenstrijdigheid heeft vastgesteld.
35. Verweerder heeft bij de beoordeling van het relaas betrokken dat het ongeloofwaardig is dat eiser dacht dat homoseksualiteit alleen in eigen dorp verboden zou zijn. De rechtbank overweegt dat verweerder niet motiveert waarop hij baseert dat een kind in Afghanistan kennis hiervan heeft, in ogenschouw nemend dat vragen stellen en praten over homoseksualiteit in Afghanistan niet voor de hand ligt om informatie hierover te verkrijgen. Ook deze tegenwerping kan zonder nadere motivering, die in het tweede voornemen wel maar in deze procedure niet aanwezig is, geen stand houden.
36. De rechtbank concludeert dat alle gronden die gericht zijn tegen de tegenwerpingen die betrekking hebben op de gestelde homoseksuele geaardheid slagen. Het besluit zal dan ook om deze reden worden vernietigd. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat dit enkele element, als dit geloofwaardig wordt geacht reeds tot inwilliging moet leiden. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat dit element niet geloofwaardig is en die discussie dus niet aan de orde is. De rechtbank zal in ieder geval bepalen dat verweerder, indien hij de afwijzing van de asielaanvraag wil handhaven, nader moet motiveren waarom de verklaringen die eiser heeft afgelegd over wanneer hij zijn geaardheid ontdekte en hoe hij daarmee is omgegaan ongeloofwaardig worden geacht.
37. De rechtbank concludeert voorts dat alle gronden die gericht zijn tegen het ongeloofwaardig achten van de relatie van eiser met [naam] ook slagen.
1. De vreemdeling heeft de Senegalese nationaliteit. Op 13 maart 2019 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft ervaren als gevolg van zijn bekering tot het christendom. Deze aanvraag heeft de staatssecretaris afgewezen. Het afwijzende besluit is in rechte onaantastbaar geworden met de uitspraak van de rechtbank van 13 juni 2019. Op 27 september 2019 heeft de vreemdeling een opvolgende asielaanvraag ingediend waaraan hij ten grondslag heeft gelegd dat hij homoseksueel is. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij in de eerste procedure niets heeft gezegd over zijn seksuele gerichtheid, omdat hij toen nog niet wist of homoseksualiteit in Nederland wordt geaccepteerd.
2. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de ingangsdatum van de te verlenen verblijfsvergunning asiel de datum van de eerste asielaanvraag in Nederland is, omdat de vreemdeling niet mag worden tegengeworpen dat hij niet eerder over zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard.
(…)
4. In dit geval is sprake van een opvolgende aanvraag. De vreemdeling heeft de staatssecretaris op geen enkel moment verzocht om terug te komen van zijn besluit op de eerste asielaanvraag, zodat geen sprake is van een verzoek om bestuurlijke heroverweging van het eerder afwijzende besluit. Daarom geldt het in artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000 neergelegde uitgangspunt. Het is aan de vreemdeling om de staatssecretaris in staat te stellen te beoordelen of hij recht heeft op een verblijfsvergunning. Dat heeft de vreemdeling wat betreft zijn seksuele gerichtheid pas gedaan bij de opvolgende aanvraag. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte bepaald dat de ingangsdatum van de te verlenen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd 13 maart 2019 moet zijn.
aanvraag voor verlenging van de vergunning voor bepaalde tijdzou hebben ingediend. De rechtbank heeft dit ter zitting besproken omdat het in de rede zou hebben gelegen om in plaats van om een verlenging te verzoeken, een aanvraag in te dienen voor een vergunning voor onbepaalde tijd. Er blijkt uit het dossier namelijk geen enkele indicatie dat eiser niet aan de voorwaarden hiervoor voldoet en eiser beoogt nu juist een vergunning voor onbepaalde tijd te verkrijgen.
énals verweerder in plaats van zich te beperken tot het beoordelen van die aanvraag en de moeite had genomen om de gemachtigde van eiser te informeren dat hij het “verkeerde aanvraagformulier” heeft ingediend, zou deze procedure bij de rechtbank niet nodig zijn geweest en kan het verzoek om heroverweging en de beoordeling hiervan ook achterwege blijven.