ECLI:NL:RBDHA:2024:14782
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken bijkomende elementen van afhankelijkheid
Eiser, een Syrische staatsburger, verzocht om een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) in Nederland op basis van gezinshereniging met zijn zoon, die in Nederland verblijft met een asielvergunning. De minister wees de aanvraag af omdat er geen sprake was van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, mede gelet op het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn zoon.
De rechtbank toetste het besluit aan recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is vastgesteld dat voor meerderjarige familieleden buiten het kerngezin sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid om gezinsleven te erkennen. Eiser stelde dat hij medisch en financieel afhankelijk was van zijn zoon en dat zij in het verleden samenwoonden in Turkije.
De rechtbank oordeelde dat eiser deze afhankelijkheid onvoldoende had onderbouwd. Er was geen bewijs van medische afhankelijkheid, en financiële steun kwam van meerdere kinderen. Ook was er sprake van een sociaal leven en sterke banden met Syrië. De minister had de samenwoning terecht niet als voldoende onderbouwd beschouwd. De rechtbank bevestigde dat de minister terecht geen belangenafweging hoefde te maken omdat geen gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestond.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid.