ECLI:NL:RBDHA:2024:15018
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister heeft op 3 januari 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft deze maatregel reeds meerdere malen getoetst en concludeerde bij de laatste uitspraak van 21 augustus 2024 dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de maatregel.
Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, met name omdat er geen fysieke presentatie bij de Gambiaanse autoriteiten was gepland en dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De rechtbank oordeelde dat de minister wel degelijk voortvarend heeft gehandeld, met rappelleringen, vertrekgesprekken en een geplande identificatiemissie begin oktober 2024. Tevens is het afhankelijk van de Gambiaanse autoriteiten of eiser gezien moet worden.
Daarnaast weegt de rechtbank mee dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzettingsprocedure, waardoor de duur van de bewaring mede aan hem te wijten is. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van de minister bij voortzetting van de maatregel zwaarder weegt dan het belang van eiser bij opheffing. De rechtbank ziet geen nieuwe omstandigheden die tot een ander oordeel leiden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee het voortduren van de maatregel van bewaring. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.