ECLI:NL:RBDHA:2024:15226
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens niet aannemelijk gemaakt verlies verblijfsrecht Italië
Eiser, met de Eritrese nationaliteit, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met als doel verblijf bij zijn vier minderjarige kinderen met de Nederlandse nationaliteit. De minister wees de aanvraag af omdat eiser volgens haar nog een verblijfsrecht in Italië heeft, waar hij een subsidiaire beschermingsstatus bezit.
Eiser betoogde dat hij zijn hoofdverblijf naar Nederland heeft verplaatst en dat op grond van Italiaanse regelgeving zijn verblijfsvergunning kan worden ingetrokken bij verplaatsing van het hoofdverblijf. Hij stelde dat de minister onderzoek had moeten doen naar zijn verblijfsstatus bij de Italiaanse autoriteiten.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen verblijfsrecht meer heeft in Italië. Het verlopen van het Italiaanse verblijfsdocument betekent niet automatisch het verlies van de subsidiaire beschermingsstatus, waarvoor een uitdrukkelijke beslissing vereist is. De Italiaanse regelgeving is een facultatieve bepaling en leidt niet tot automatische intrekking. De minister heeft haar onderzoeksplicht niet geschonden door geen contact op te nemen met de Italiaanse autoriteiten.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft de afwijzing van de aanvraag in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsdocument EU/EER blijft in stand.