Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Denemarken verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeelt dat de Dublinverordening correct is toegepast.
De rechtbank stelt vast dat eiser sinds 2015 internationale bescherming in Denemarken heeft gehad en dat Nederland een verzoek tot terugname heeft gedaan dat door Denemarken is geaccepteerd. Eiser voerde aan dat er een reëel risico op directe of indirecte refoulement bestaat bij terugkeer naar Denemarken, mede vanwege verschillen in beschermingsbeleid en de dreiging van uitzetting naar Syrië. Dit verweer wordt verworpen op basis van recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelt dat er geen fundamenteel verschil meer is in beleid.
Daarnaast heeft eiser onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat hij in Denemarken geen bescherming zal krijgen of dat de rechterlijke procedures daar niet effectief zijn. De rechtbank acht ook het belang van het gezinsleven en de belangen van de minderjarige kinderen voldoende gewaarborgd, en oordeelt dat de staatssecretaris terecht geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag in Nederland te behandelen.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen in stand blijft. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.