ECLI:NL:RVS:2022:1863

Raad van State

Datum uitspraak
6 juli 2022
Publicatiedatum
30 juni 2022
Zaaknummer
202105784/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU-Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten niet in behandeling nemen asielaanvragen wegens risico schending EVRM artikel 3 bij overdracht aan Denemarken

Bij besluiten van 13 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die deze beroepen op 31 augustus 2021 ongegrond verklaarde. De vreemdelingen gingen hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De kern van het geschil betrof de vraag of er een indirect reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 4 van Pro het EU-Handvest bij overdracht van Syrische vreemdelingen aan Denemarken, vanwege het beschermingsbeleid aldaar. De Afdeling heeft deze rechtsvraag beantwoord aan de hand van een gelijktijdig behandeld vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RVS:2022:1864).

De Afdeling oordeelt dat de grieven van de vreemdelingen slagen en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De besluiten van 13 juli 2021 worden eveneens vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 3.415,50. De vreemdelingen krijgen daarmee alsnog de mogelijkheid om hun asielaanvragen in behandeling te laten nemen.

Uitkomst: De besluiten van 13 juli 2021 worden vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitspraak

202105784/1/V3.
Datum uitspraak: 6 juli 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[vreemdeling A], mede voor haar minderjarige kind [naam kind], en [vreemdeling B] en [vreemdeling C],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 31 augustus 2021 in zaken nrs. NL21.11386, NL21.11388 en NL21.11390 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 13 juli 2021 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 31 augustus 2021 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. I.N. Schalken, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen hebben nadere stukken ingediend.
De staatssecretaris en de vreemdelingen hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
De vreemdelingen hebben opnieuw nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2022, waar de vreemdelingen, bijgestaan door mr. I.N. Schalken, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.P.A. van Laarhoven, zijn verschenen. Als tolk trad op R. Chaker. De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken ECLI:NL:RVS:2022:1862 en ECLI:NL:RVS:2022:1864.
Overwegingen
1.       De in grieven 1 en 2 opgeworpen rechtsvraag over het indirecte reële risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest bij overdracht aan Denemarken wegens het daar geldende beschermingsbeleid voor Syrische vreemdelingen, heeft de Afdeling bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2022:1864, beantwoord. De overwegingen uit die uitspraak zijn ook in deze zaak van toepassing. Hieruit vloeit voort dat de grieven slagen.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdelingen verder hebben aangevoerd te bespreken. De beroepen zijn gegrond en de besluiten van 13 juli 2021 worden vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 31 augustus 2021 in zaken nrs. NL21.11386, NL21.11388 en NL21.11390;
III.      verklaart de beroepen gegrond;
IV.      vernietigt de besluiten van 13 juli 2021, [V-nummer], [V-nummer], [V-nummer] en [V-nummer];
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.415,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Klinkhamer, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Klinkhamer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2022
638-906