ECLI:NL:RBDHA:2024:17150
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid en hoogte belastingrente bij bpm-teruggaaf en overschrijding redelijke termijn
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van verweerder inzake de vergoeding van belastingrente bij een teruggaaf van bpm. Verweerder had een rentebeschikking gegeven over een teruggaaf van €1.194, berekend over de periode van 1 april 2021 tot 6 augustus 2021, ter hoogte van €17. Eiseres betoogde dat verweerder niet bevoegd was en dat een hogere rente van €138 verschuldigd was, berekend vanaf de voldoening van de bpm tot de terugbetaling.
De rechtbank oordeelt dat verweerder bevoegd is op grond van artikel 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en dat de rente correct is vastgesteld volgens de normen van de Hoge Raad. Het beroep van eiseres dat de nationale rechter het Unierecht niet mag uitleggen en prejudiciële vragen moet stellen, wordt verworpen. De rechtbank volgt de rechtspraak van de Hoge Raad en ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken.
Verder is vastgesteld dat het hoorrecht niet is geschonden, aangezien eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om deel te nemen aan het hoorgesprek maar niet is verschenen. De redelijke termijn is met 1 jaar en 4 maanden overschreden, maar vanwege het geringe financiële belang van minder dan €1.000 volstaat de constatering van overschrijding zonder toekenning van schadevergoeding.
Ten slotte oordeelt de rechtbank dat het vooraf betalen van griffierecht niet in strijd is met het Unierecht en dat eiseres geen beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard; verweerder is bevoegd en de belastingrente is correct vastgesteld.