Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Opposant heeft verzet aangetekend tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin zijn verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling. De rechtbank heeft zonder zitting geoordeeld dat de ingebrekestelling van 29 januari 2024 te vroeg was ingediend omdat de beslistermijn nog niet was verstreken.
Opposant betoogde dat de beslistermijn onterecht met twaalf weken was verdaagd en dat verweerder ten onrechte de termijn voor het aanvullen van beroepsgronden bij de beslistermijn had opgeteld. Tevens beriep opposant zich op het vertrouwensbeginsel omdat verweerder in een besluit van 25 maart 2024 had erkend dat de ingebrekestelling terecht was ingediend.
De rechtbank oordeelde dat zij zelfstandig moet toetsen of een ingebrekestelling rechtsgeldig is en dat het feit dat verweerder het anders had beoordeeld niet bindend is. De aangehaalde jurisprudentie bood geen steun voor het standpunt van opposant omdat die uitspraken andere kwesties betroffen. De rechtbank concludeerde dat er geen redelijke twijfel bestaat over de prematuriteit van de ingebrekestelling en verklaarde het verzet ongegrond.
De uitspraak is gedaan door rechter A.C.J. van Dooijeweert en griffier S. Mohandes en is zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet. De aangevallen uitspraak blijft daarmee in stand en verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere afwijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding blijft in stand.