ECLI:NL:RBDHA:2024:18691
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S. Ketelaars - Mast
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie legde op 8 juli 2024 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Gambiaanse vreemdeling, die tegen het voortduren van deze maatregel beroep instelde bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank had de maatregel al tweemaal eerder getoetst en oordeelde dat deze tot het sluiten van het onderzoek op 13 september 2024 rechtmatig was.
Eiser stelde dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig was vanwege het ontbreken van voortvarendheid, geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn, disproportionaliteit, en schending van artikelen 5 en 8 EVRM. De rechtbank verwierp deze gronden omdat er nog zicht is op uitzetting naar Gambia, mede doordat de Gambiaanse autoriteiten het lp-traject nog niet definitief hebben afgewezen.
De rechtbank constateerde dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting, onder meer door het niet verschijnen bij verplichte presentaties en vertrekgesprekken. Zijn medische gesteldheid werd onvoldoende onderbouwd om detentieongeschiktheid aan te nemen. De belangenafweging door de minister werd als voldoende beoordeeld, evenals de voortvarendheid van de minister in het dossier.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel proportioneel is en dat er geen sprake is van onrechtmatige inbreuk op de EVRM-rechten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.