Eiser diende op 8 juli 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in. Verweerder verzocht Roemenië om overdracht op grond van de Dublinverordening, welke werd geaccepteerd. Echter, de overdracht vond niet tijdig plaats, waardoor verweerder verantwoordelijk werd voor de behandeling van de aanvraag.
De rechtbank constateert dat de maximale beslistermijn van 21 maanden, zoals bedoeld in de Procedurerichtlijn, was verstreken op het moment van ingebrekestelling door eiser. Verweerder had derhalve definitief op de oorspronkelijke aanvraag moeten beslissen en mocht niet verlangen dat eiser een nieuwe aanvraag indiende.
De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen verweerder een besluit moet nemen. Tevens wordt verweerder een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €7.500. De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dat dwangsommen in deze context toch van toepassing zijn ondanks een tijdelijke wet. Ten slotte wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser ad €437,50.