ECLI:NL:RBDHA:2024:19148
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Kroatië afgewezen
Eiser, met de Syrische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank beoordeelt dat het beroep kennelijk ongegrond is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Kroatië tekortschiet in de behandeling van zijn asielaanvraag of dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een schending van zijn rechten op grond van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 van Pro het Handvest. De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de discretionaire bevoegdheid van verweerder op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro niet tot het in behandeling nemen van de aanvraag verplicht.
Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat bijzondere individuele omstandigheden zoals mishandeling, medische klachten of opvangomstandigheden een onevenredige hardheid opleveren bij overdracht aan Kroatië. De rechtbank wijst ook de stelling af dat de beschikking onvoldoende gemotiveerd zou zijn of dat verweerder niet alle zienswijzen heeft betrokken.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen sprake meer is van connexiteit. De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt eiser niet tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.