ECLI:NL:RBDHA:2024:19970
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep asielaanvragen wegens prematuur ingebrekestelling ongegrond verklaard
Opposanten hadden beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun asielaanvragen. De rechtbank had dit beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de beslistermijn volgens het Besluit WBV 2023/3 nog niet was verstreken, waardoor de ingebrekestelling prematuur was.
Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring stelden opposanten verzet in, stellende dat er sprake is van divergentie in de rechtspraak over de rechtsgeldigheid van de verlenging van de beslistermijn in asielzaken. Zij verwezen naar diverse uitspraken waarin werd geoordeeld dat de verlenging niet rechtsgeldig zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat in verzet slechts kan worden getoetst of het kennelijke oordeel terecht was. Er werden geen nieuwe argumenten aangevoerd die twijfel konden doen ontstaan over de eerdere beslissing. Divergerende rechtspraak vormt volgens de rechtbank geen belemmering voor vereenvoudigde afdoening buiten zitting.
Daarom verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en handhaafde de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft gehandhaafd.