ECLI:NL:RBDHA:2024:20814
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid voortduren maatregel bewaring vreemdeling
Eiser, een vreemdeling met de Algerijnse nationaliteit, werd op 21 maart 2024 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde de rechtbank op 2 december 2024 in kennis van de voortzetting van deze maatregel, wat gelijkgesteld werd met een beroep van eiser. Eiser trok dit beroep op 6 december 2024 in, maar de rechtbank was ambtshalve gehouden de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring te toetsen.
De rechtbank stelde vast dat eerdere uitspraken de rechtmatigheid van de bewaring tot 25 september 2024 hadden bevestigd. De beoordeling richtte zich daarom op de periode vanaf die datum. Uit jurisprudentie volgt dat de rechter periodiek moet toetsen of de bewaring nog gerechtvaardigd is, ook als de vreemdeling zelf geen beroep instelt of het beroep intrekt.
Na beoordeling van de door verweerder overgelegde kennisgeving en voortgangsrapportage zag de rechtbank geen reden om de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig te achten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de maatregel van bewaring rechtmatig voortduurt.